Friday, May 27, 2016

Mijn liefje, mijn duifje

'Het kwam allemaal door een pastei.'
'Hoe bedoelt u?' zei de man op de stoel naast hem. Hij tekende een dampende vleespastei op zijn blocnote, zo één met een deegdeksel met kleine gaatjes waaruit stoom ontsnapt. Hij rook de geurige dampen, proefde de pastei. Het water liep hem in de mond. Het was ver na etenstijd, en hij had trek. Zoals gewoonlijk was zijn spreekuur weer eens uitgelopen. Het was hem nooit gelukt zijn consulten tot een half uur of een uur te beperken. Als een patiënt midden in zijn verhaal zat, kon hij hem moeilijk afbreken. Slecht voor de patiënt, hield hij zichzelf voor. In feite was hij dikwijls zo gefascineerd door de verhalen van sommige van zijn patiënten, dat hij ze niet midden in hun soms verwarde of dromerige relaas wilde onderbreken
'Eigenlijk moet ik bij het begin beginnen, anders snapt u het niet,' zei de man op de sofa naast hem.
De arts zei niets, speelde wat met zijn pen. De patiënt vatte dit op als toestemming of aanmoediging, en begon met zachte stem, enigszins aarzelend, aan zijn relaas.
'U moet begrijpen, dokter, dat ik zielsveel van mijn vrouw houd. Of moet ik zeggen, heb gehouden? Het was liefde op het eerste gezicht.'
De arts tekende in een paar snelle streken een staand paar dat elkaar omarmt, en face, met drie hartjes die tussen het paar in opstijgen, zoals je wel op Valentijnskaarten ziet. Zijn secretaresse was verbaasd over de wonderlijke dossiers van haar baas. In haar vorige baan had ze lange vellen droge tekst moeten uittypen, met onbegrijpelijke beschrijvingen van patiënten en hun problemen, fantasieën en waanideeën. Wat dat betreft maakte haar baas het haar gemakkelijk. Van hem kreeg ze vellen papier vol tekeningen, waarmee ze niets hoefde te doen dan ze achter de naam van de juiste patiënt chronologisch te archiveren. Het leken rebussen, waar ze kop nog staart aan kon ontdekken.
'Ik ben visueel ingesteld,' had haar baas haar eens uitgelegd, 'In één oogopslag zie ik zo het hele beeld van mijn patiënt weer voor me, beter dan met wat voor tekst ook.'
Hij was een verwoed amateurschilder, en de wachtkamer hing vol felgekleurde, vrolijke schilderijen van zijn hand, waar zij zuidelijke landschappen in herkende, gestoffeerd met uitnodigende huizen, planten en vogels. Als patiënt zou een bezoek aan de wachtkamer al voldoende moeten zijn om op te vrolijken en hernieuwde levensmoed te krijgen.
'Ik zat in een café,' ging zijn patiënt verder, 'U weet wel, zo'n klein dorpscafé, toen ze plotseling binnenkwam. Iedereen keek naar haar. Ze straalde iets uit, ja, hoe moet ik dat zeggen, iets ontroerends. Ze was blond, met kleine zachte krulletjes, had een porseleinen huid, blauwe ogen die vrolijk om zich heen keken.'
'Zocht ze iemand, denkt u?' vroeg de arts.
'Ik weet het niet. Ik weet wel dat ik haar toen vond. Ze liep wat aarzelend naar de bar. Ik stond meteen op, vroeg of ze op iemand wachtte en of ik haar iets mocht aanbieden. Ze accepteerde mijn aanbod, en ging bij mij aan het tafeltje zitten.'
Hij stopte even. De arts had het niet meteen in de gaten. Hij liet zijn gedachten de vrije loop tijdens de monologen van zijn patiënten. Hoewel inleidingen belangrijk waren om patiënten op gang te helpen, waren ze zelden interessant. Hij dacht aan espresso, pils, champagne, en tekende een glas wijn naast de dampende pastei.
'Zo is het gekomen, dokter,' zei de man.
'Zo is het gekomen?'
'Zo is het begonnen, ons huwelijk, ons geluk, tenminste, aanvankelijk.'
Altijd dat "tenminste", dacht de arts. Daarom lagen ze op zijn divan, om dat "tenminste". Niemand scheen te beseffen of te aanvaarden dat niets volmaakt kon zijn, althans zijn patiënten niet.
'Gaat u verder,' zei hij op bemoedigende toon. Veel aanmoediging had zijn patiënt niet nodig.
'Dokter, u weet niet hoe fantastisch ze was, hoe ze me ontroerde. U moet weten, ik ben gek op vogels. U toch ook?'
'Hoezo?' de dokter keek verrast op.
'Uw schilderijen, u schildert vogels,' zei de patiënt.
'O, u hebt dat opgemerkt. Ze zijn slechts stoffering, stoffering van het landschap. Ik ben dol op landschappen. Maar gaat u verder,' onderbrak hij zichzelf.
'We raakten aan de praat en nou ja, om kort te gaan, zo begon het. Binnen twee weken woonden we samen, en binnen een maand waren we getrouwd.'
'Vogels, u noemde vogels,' zei de arts.
'O ja. Weet u, als ik haar in mijn armen nam, mijn hand in haar nek, deed ze me aan een tere vogel denken. Haar broze botten, haar fijn besneden gezicht, en haar haar, net vogeldons als ik haar tegen de haren in streelde, van nek tot kruin. Donsveertjes, dat waren het.'
De dokter tekende een liefdespaar met monden als vogelsnavels en jukbeenderen die op vogelkoppen leken. De vrouw teer en aandoenlijk, de man gaf hij instinctmatig de trekken van een roofvogel.
'We waren een stel tortelduiven, konden niet genoeg van elkaar krijgen. Ik noemde haar "duifje". Zo was ze ook, een zacht, koerend liefdesduifje.'
'Gaat u verder,' zei de arts terwijl hij zijn tekening wat bijwerkte.
'Toen ze jarig was, leek het me wel leuk een passend cadeau te geven, iets origineels, speciaal voor haar. En opeens wist ik het, een duif, wat was passender dan een duif. Ik kocht de mooiste die ik vinden kon, een sneeuwwitte met een staart die hij uitspreidde en tentoonstelde als een pauw, pronkend en onderdrukt koerend, met een krop als een sordino.'
'Anna – zo heette mijn eigen lief, mijn duifje – Anna was verrukt. Ze kon haar ogen niet van de vogel afhouden, vertroetelde hem en probeerde zijn gekoer te imiteren. Ze smeekte me om een tweede duif. "Zo zielig, één alleen, vind je ook niet?" zei ze. Ik kon haar niets weigeren. We kochten een tweede, en ik timmerde een grotere kooi voor in de tuin. En dat was het begin van alle ellende.'
'Ellende?' vroeg de arts.
'Ja, ellende. Ze had alleen nog maar oog voor de duiven, niet meer voor mij. Haar vingers die eens mijn lichaam streelden als waren het tovenaarsstokjes, streelden nu alleen nog maar de witte duivenveren. Ze kocht boeken over duiven, ging naar lezingen, werd helemaal gefascineerd door die vogels.'
'Kon u er niet over praten?' vroeg de arts.
'Dat probeerde ik, maar ze zei dat ik me aanstelde, dat het geen kwaad kon. Het was een hobby. "Anton", zei ze, "je wilt niet dat ik een baan zoek, en we hebben geen kinderen, ik moet toch wat. Waarom ben je jaloers op een hobby? Mag ik geen hobby hebben?" Ik kon er niet veel tegenin brengen.
Op een dag kwam ik 's avonds uit mijn werk thuis en zag tot mijn verbijstering dat timmerlieden boven op het dak van mijn huis een grote kooi aan het timmeren waren. U moet weten dat we in een chique buurt wonen – ik ben niet onbemiddeld – dus u kunt zich voorstellen dat ik ontsteld was. Toen ik Anna vroeg wat dat te betekenen had, zei ze doodleuk:
"Ik ga duiven houden, postduiven en andere duiven. Ik word duivenmelkster."
"Maar lieve Anna, mijn duifje, dat kan niet zomaar. Alleen mensen in volksbuurten houden duiven. Dit is een prachtige wijk en een mooi huis. Met zo'n kooi bederf je het hele zicht. Ik vraag me af of de schoonheidscommissie hier toestemming voor geeft."
"Je kunt niets zien van de straatkant," zei Anna gedecideerd.
"Maar Anna, de buren, wat zullen de buren zeggen. En weet je wel wat voor troep duiven maken, en het lawaai!"
"Maak je geen zorgen, ik zorg voor ze. Het is mijn hobby."
Wat ik ook zei. Anna was niet te vermurwen. Ik brak de kooi eigenhandig af. Toen ik twee weken later van een zakenreis terug kwam, had ze een nieuwe kooi laten bouwen die bovendien al bevolkt was door een bonte verzameling duiven. Wat kon ik doen?'
'Hoe voelde u zich?' vroeg de arts.
'Moet u dat vragen? Bedrogen, dat kunt u zich voorstellen, bedrogen. Mijn lieve Anna, die zich niets meer van me aantrok en haar tijd alleen nog met haar duiven deelde. Een sport voor arbeiders als je het mij vraagt. Ik schaamde me, ja dat ook, ik schaamde me dat mijn frêle vrouw zoiets deed. En de buren begonnen te klagen.'
'De buren?' vroeg de arts. Hij tekende een huis met daarvoor een groep mensen met gebalde, opgeheven vuisten en rode, boze koppen. Vogels vlogen op boven het huis en er zaten vogels te pronken op de daklijst.
'Ja, de buren. Hebt U ooit wel eens een paartje duiven in uw tuin gehad, een broedend paar?' Hij wachtte de reactie van de arts niet af, 'De stank, de vuiligheid, poep, ongedierte, het is vreselijk.'
De arts tekende een vervuild balkon met in een hoek een rommelig duivennest. Inhoud: één dood duivenjong, één levend exemplaar, veel uitwerpselen, en veel krioelend ongedierte. Hij herinnerde zich de stank van het nest dat hij ooit eens had aangetroffen op het balkon van zijn studentenflat toen hij terug kwam van een lange buitenlandse studiereis.
'Gaat u verder,' zei hij uitnodigend.
'De buren klaagden over poep in de tuin en op de kozijnen, over een weeë stank, strootjes en nestmateriaal dat de duiven aanvoerden maar voortijdig lieten vallen. En dan het gekoer.'
'Houdt u daar niet van?' vroeg de arts.
'Ach, één duif gaat nog wel. Hebt u wel eens gelet op dat monotone gekoer van een duif? Als je er eenmaal op gaat letten, word je er gek van. En dan twintig duiven, of zoiets. Ook ik werd er stapelgek van. Maar wat kon ik er aan doen? Hoe ik mijn vrouw ook op andere gedachten probeerde te brengen, vleiend, lief, boos of dreigend, ze hield voet bij stuk. Langzamerhand leek ze zelf wel een duif. Ze rook in ieder geval net zo, en er kwam nauwelijks nog een zinnig woord over haar lippen.'
'Wat deed u vervolgens?' vroeg de arts. Hij probeerde wat schot in het relaas te krijgen. Zij maag begon nu wel erg te knorren en het verhaal was nog steeds niet bijster interessant. In ieder geval niet goed genoeg voor een nieuwe tekening, behalve wat doedels en nietszeggende kringels.
'Ja, en toen had ik geluk.'
'Geluk?'
'Ziet u, haar moeder kreeg een ernstig ongeluk en Anna moest spoorslags naar haar toe. Ze smeekte me goed voor haar duiven te zorgen en gaf me een waslijst aan instructies, plus een lijst van contacten die ik maar moest bellen als ik het niet meer zag zitten. Het waren medeliefhebbers, "duifgenoten" als ik het zo mag zeggen. Er kwamen en wel eens wat langs, minne, schlemiele mannetjes vond ik.'
'Discrimineert u nu niet?' zei de arts, terwijl hij snel een schlemiel met opgestroopte hemdsmouwen en los boord tekende, duif op de hand.
'Nee hoor, ik mocht ze niet. Maar wat wilde ik ook al weer zeggen?'
'Neemt u gerust de tijd, meneer Anton,' zei de arts niet geheel eerlijk.
'O ja. Nu, ik zag mijn kans schoon. Op een nacht stormde het vreselijk. Ik heb toen expres het hok open gezet, in de hoop dat alle duiven zouden ontsnappen, wegwaaien, en de weg terug niet zouden kunnen vinden. Helaas, ik had er niet aan gedacht dat duiven honkvast zijn - of moet ik "hokvast" zeggen? De volgende dag bleken er maar twee dooien te zijn, dood gebeten door de rode buurkater. Ik heb ze begraven. Toen ik het hok in kwam, vlogen de duiven op me af. Ze gingen op mijn hoofd zitten, op mijn schouders, scheten op mijn maatpak. Stom, ik was vergeten Anna's stofjas aan te trekken. Ziet u mij in een stofjas? Nou ja, razend werd ik, echt razend. De brutaliteit, de stank, dat gekoer waar ik horendol van werd, de maat was vol, ik kon me niet meer beheersen.'
De arts zat nu verrukt te tekenen: met enkele streken stond heer-in-maatpak in duivenhok, poepende vogels op hoofd en schouders, bijtend venijn dat onherstelbare vlekken nalaat in kleding.
'Ik heb ze één voor één de nek omgedraaid.'
Verschrikt keek de arts op. 'Wat zei u?'
'Ik heb ze de nek omgedraaid, allemaal, één voor één. En weet u, dokter, ze vlogen niet eens weg. En het gevoel dat me dat gaf, dat moorden, een gevoel van intense opwinding. Ik had macht. Ik besliste over leven en dood. Bij elk zacht vogelnekje dat ik hoorde knappen, dacht ik aan Anna's nek. Zou die ook zo knappen?'
De arts moest een gevoel van misselijkheid onderdrukken. Zijn pen bleef even zweven boven het papier. Daarna zette hij in snelle bewegingen de duivenmoordenaar neer, duif in hand, duif met Anna's gelaatstrekken, de trekken van de Anna uit zijn verbeelding. Hij huiverde.
'Bij iedere duif doodde ik Anna, mijn duifje, mijn liefje. En waarom, dokter, waarom?'
'Hebt u zelf een idee?' pareerde de arts.
'Nee, nee. Waar was ik gebleven. O ja, Anna zou de volgende dag thuis komen. Het ging beter met haar moeder. Ik ruimde de rommel op, maakte het hok schoon, liet de deur open staan, maakte alles in orde. Die dag bakte ik een overheerlijke pastei om Anna te verrassen. Ik ben een uitstekend kok, ziet u, al zeg ik het zelf. U zou mijn verzameling koksmessen eens moeten zien, Sabatier, allemaal, het beste van het beste. Anna en ik vlogen elkaar in de armen. We waren nog nooit zo lang van elkaar gescheiden geweest, en de afstand had haar verlangen naar mij weer aangewakkerd.
"Hoe is het met mijn duifjes?" vroeg ze.
"Straks, duifje, eerst eten, alles is klaar."
Ze genoot. De pastei was voortreffelijk, en ze overlaadde me met complimenten.
"Hoe heb je die klaar gemaakt?" vroeg ze, "En wat zit er in, ik heb nog nooit zoiets verrukkelijks gegeten."
"Wil je het echt weten?" vroeg ik?
Ze drong aan en ik verklapte het recept. Anna trok lijkbleek weg, sloeg haar hand voor de mond, rende naar de wc waar ik haar herhaaldelijk hoorde overgeven, afgewisseld met gierende uithalen. Toen ze wat bijgekomen was en de gang in kwam, keek ze me aan met ogen vol haat, veegde met de rug van haar hand haar mond af en rende stommelend de trap op naar boven, naar haar duiven. Daar gilde ze het uit, roffelde de trap weer af, struikelde en viel bonkend naar beneden. Onder aan de trap bleef ze doodstil liggen, in een vreemde houding, als een vogel die de kop tussen de veren trekt. Een arts constateerde dat haar nek gebroken was.
Ik was er kapot van. Ik had haar zo verwend. Hoe kon dat nou? En dokter, sindsdien heb ik dromen, angstdromen, nachtmerries.'
'Beschrijft u eens zo'n droom,' zei de arts.
'Het is altijd dezelfde droom. Ik breek Anna's nek, met mijn blote handen, en word wakker als ik het gekraak van haar botten hoor, badend in het zweet.'
De arts slikte even. Hij legde de laatste hand aan de kop van een roofvogel, met de trekken van meneer Anton. Daarna keek hij op en vroeg,
'Wat zat er in de pastei?'
'Het was een Victoriaans recept, heel rijk gevuld. Ik ben een echte bourgondiër.'
Wat zat er in de pastei,' vroeg de arts nogmaals.
'O, heb ik dat niet gezegd? Het was een duivenpastei.'
De arts keek zijn patiënt met afschuw aan.

'Een uitstekende kwaliteit, van de poelier, een speciale aanbieding,' 


Monday, May 2, 2016

Koorts

Paars en geel vloeien in elkaar over, als grote vlekken. In het midden lossen ze op, verdwijnen in een punt, als in het putje van het bad. Het is een beetje als bij mijn kartonnen kaleidoscoop, die ik rond moet draaien. Maar mijn kaleidoscoop heeft een heleboel felle kleuren, en dit is alleen paars en geel, geel en paars. Ik wil nooit meer paars en geel. Behalve krokusjes, die mogen paars en geel zijn. Die zijn mooi, veranderen niet van kleur, blijven staan, verdwijnen niet als je ze wilt pakken, er naar kijkt. Als ik mijn ogen voorzichtig open doe, zijn de kleuren weg. Uit alle macht probeer ik ze open te houden. Ze zijn zwaar en moe. Ze doen pijn, het licht in mijn kamertje doet pijn. Toch is het gordijn dicht. Elke keer zakken mijn oogleden weer naar beneden. Mijn oogbollen branden. Ik knipper, ik wil geen kleuren, geen paars en geel. Ik heb dorst. Het glas water staat zo ver weg. Mijn arm is te moe om het te pakken. Alles is nat, en toch heb ik dorst. Mijn kussen is nat. Als ik mijn hoofd voorzichtig verleg, voelt het ijskoud. Ik roep mijn moeder. Hoort ze het wel? Heb ik wel geroepen? Of heb ik het gedroomd? Ik roep nog eens. Er komt geen geluid uit mijn keel. Mijn keel doet pijn. Ik kan niet slikken. Mijn keel is helemaal dik.
Waarom zit mijn moeder zo ver weg? Ik heb haar niet binnen horen komen. Heb ik geslapen? Mijn bed is gegroeid. Het is heel lang geworden, als een Rijnaak – zo heten die boten, zei juf, een mooi woord, Rijnaak – zo lang is mijn bed. Ik lig voor op het schip, mijn moeder heel klein, helemaal aan de andere kant, achteraan. Waarom zit ze zover? Ze staat op, moet heel ver lopen naar me toe. 'Ik wilde je niet wakker maken.' Van hoog boven mij legt ze een hand op mijn voorhoofd. Haar arm lijkt wel een boomtak, zo lang. Haar hand is koel. 'Wat ben je warm,' zegt ze. 'Je hebt koorts'. Ik heb het koud, lig te rillen, de lakens nat, mijn haren nat. Ik wil iets zeggen, maar mijn keel knijpt dicht. Ze pakt iets, een lap, nee, een deken. Het lijkt wel het zeil van een schip. Zo groot. Ze pakt me op. Koude lucht overal om mij heen. Vlug wikkelt ze me in de deken en zet me in een gemakkelijke stoel. Alles draait, de hele kamer, het raam, de deur. De bovenkant is onder en dan weer opzij. Ik klem me vast in de stoel. Straks val ik in zee. Ik ben zeeziek, misselijk, kreun. Mijn moeder draait zich om. Ze is net te laat. Ik spuug de vloer onder. Wat gek, ik heb toch niets gegeten. 'Ach, kindje toch,' zegt ze. Ik zie haar lopen, zwaaiend op de vloer die nog altijd ronddraait. Ze loopt op het schip. Maar een Rijnaak kan toch niet op zee varen? Een rivier heeft toch geen golven? Ik doe mijn ogen dicht. Doe ze weer open als de kleuren weer komen, het paars en het geel. Mijn moeder dweilt het dek van het schip. Ze haalt natte lakens van mijn bed, schudt enorme lappen uit, legt die er op. Haar armen spreidt ze als een grote vogel. De lakens klapperen als vleugels, als wieken, als zeilen in de wind. Ze maakt een kruik, legt die aan het voeteneinde. Ze doet mijn deken af, mijn natte pyjama uit en trekt me snel een schone pyjama aan. Die is warm. Ze heeft hem op de kachel gelegd, dat weet ik zeker. De kachel thuis, niet op dit schip. Maar dit is mijn bed, nu weet ik het weer. Geen schip, mijn eigen bed. Mijn moeder pakt me op en legt me tussen de nog ijskoude, stijve lakens Ik ruik hoe schoon ze zijn. Ze ruiken naar maandag, naar zeepsop en stijfsel. Ze legt de kruik in mijn rug. Het plekje voor mijn voeten is al warm. Ze laat mij drinken. Mijn tanden klapperen tegen het glas. Er loopt water langs mijn kin. Ze drukt een kus op mijn voorhoofd. 'Ga maar lekker slapen. Dan ben je gauw weer beter. Ik ben vlakbij. Je hoeft niet bang te zijn.'
Ik ben niet bang. Door mijn wimpers zie ik de flessen op de vensterbank met rode en bruine drankjes, de bolle lepel ernaast. Het lijken grote edelstenen als het licht er door schijnt. De rode drank is bitter. Spoken vliegen door het poppenhuis aan het voeteneinde van mijn bed. Ze dansen van de ene kamer naar de andere, gaan nooit op de stoeltjes zitten. Ik zie de meubeltjes door ze heen schijnen. Ik ben een beetje bang van ze. Ik kijk maar niet. Misschien gaan ze dan wel weg. Of misschien dansen ze het poppenhuis uit, mijn bed op, naar me toe, om me heen. Het zweet breekt me uit. Ik wil schreeuwen. Dan hoor ik het gefluit van een merel, heel vrolijk. Het is prachtig. Ik blijf stil liggen, luister, doe mijn ogen weer helemaal open. De merel vliegt door mijn kamertje. Ik ben verbaasd, kijk naar de waterverftekening aan de muur, de tekening van mijn vader. Uit het nest steken kleine snaveltjes omhoog. Het is een gepiep van jewelste. Moeder merel is verdwenen. Daar komt ze, langs het plafond. Ze gaat op de ombouw van mijn opklapbed zitten, zet zich dan af en vliegt naar het nest, een dikke regenworm in haar snavel. Ik wist wel dat ze echt was, maar nu zie ik het pas. Nu ze denkt dat ik slaap natuurlijk. Of omdat ze niet kon wachten, want ik lig hier maar, ook overdag, al heel lang denk ik. Precies weet ik het niet.
'Ach meis.' De dokter zit op het randje van mijn bed. Het bed is nog altijd raar lang. Mijn moeder staat in de deuropening. Hij heeft vriendelijke ogen, onze dokter. Hij knoopt mijn pyjamajasje los, warmt zijn stethoscoop in zijn handen, zet die dan op mijn ribbenkast. Ik moet zuchten. Zuchten doet pijn. Ik zucht niet diep genoeg. Mijn moeder knoopt mijn pyjama weer dicht.
Het is donker. Een hele troep meeuwen vliegt krijsend door mijn kamer. Ze vallen de merel aan, pikken naar de jongen, naar mijn haar. Ik sla mijn handen om mijn hoofd, duik weg onder de dekens. Ik gil. Mijn moeder staat naast me. Ze doet een nachtlampje aan. Geeft me water en een slok van het bittere drankje. Ik kokhals, mag niet spugen.

Als ik weer wakker word, is het licht. De merel zit stil op haar plek, in de waterverftekening aan de muur. Mijn bed is niet lang meer. De spookjes in het poppenhuis zijn verdwenen. Slapen ze? Mijn moeder legt haar hand op mijn voorhoofd. De dokter voelt mijn pols. Opgelucht kijken ze elkaar aan. 'Het gaat de goede kant op,' hoor ik ze zeggen voor ik weer in slaap val. 'We hebben het ergste gehad.' 

Sunday, April 10, 2016

Tol

Dit keer ben ik goed voorbereid als ik de tolpoortjes nader. Vreemd land, dit land waarvan ik toch zo houd. Op het vasteland van Europa kun je altijd kiezen of je het loket aan je rechter- of linkerkant wilt. Zo niet hier. Men is hier blijven hangen in de tijd van de splendid isolation, een tijd die allang voorbij is. Dat een stuur niet overal rechts zit, wil er nog altijd niet in. Ik heb zorgvuldig de benodigde munten van te voren klaar gelegd. Vol vertrouwen rijd ik naar een onbemand poortje. Ik heb mijn zaakjes immers op orde. Het wachten duurt lang. Bij de andere poortjes rijden de auto's vrij snel door, hier niet. Als het mijn beurt is open ik snel het portier, maak een sprintje om de neus heen naar rechts en deponeer de munten tevreden in de bak. Ik zou kunnen gooien vanuit het open gedraaide passagiersraampje, maar dat kan verregaande consequenties hebben zoals het verleden me heeft geleerd. Mikken is op zijn zachts gezegd niet mijn sterkste kant. Nog krijg ik het schaamrood op de kaken als ik denk aan die eerste keer. De Benelux tunnel bij Pernis was net geopend en met de te heffen tol moest de tunnel terug betaald worden. Enorm grote bakken links en rechts maakten het werpen van de munten eenvoudig. Lag het aan mijn slechte ogen, mijn weinig trefzekere balgevoel? Met zwier gooide ik de gulden of rijksdaalder richting bak, een wijde bak. Het kon niet missen. Met een fraaie boog raakte de munt de rand van de bak, stuiterde omhoog om rinkelend op de grond te vallen waar de munt op zijn kant wegrolde. Ik had zo snel niets anders, stapte uit en grabbelde op handen knieën naar de munt. Omkijken durfde ik niet, op het getoeter lette ik maar niet.
          Dit keer kan me niets gebeuren. Tevreden ga ik achter het stuur zitten, klaar om weg te sprinten. Maar de slagboom beweegt geen millimeter. Verbijsterd staar ik naar de rood wit geverfde paal die me de weg verspert. Hoe kan dat nou? Twee Engelse ponden, ik heb ze er eigenhandig ingelegd, heel nauwkeurig, en geen enkel risico genomen. Naast de bak voor het geld zie ik een rode knop. Rood is nood. Uitstappen dan maar. Ik kijk eerst nog eens in het bakje met geweigerde munten voor ik op de knop druk, maar nee, er ligt niets in. Terug naar de auto, want ik verwacht dat er na het indrukken van de alarmknop wel iemand zal komen opdagen. Niet dus. Weer de auto uit, maar hoe ik ook speur, er is niemand te zien wiens aandacht ik kan trekken. Ten einde raad tik ik op het driedubbele veiligheidsglas van het hokje aan mijn linkerkant, een hokje zonder loket naar mijn kant toe. Dit is immers Engeland. De man kijkt naar me, wijst naar de rode knop en draait zich weer om. Nu pas zie ik de intercom naast de rode knop. In mijn haast om de rij achter me niet nog langer te laten wachten, heb ik die gemist. Na enig wachten krijg ik inderdaad gehoor. Wat er is, en of ik wel in de bak met geweigerde munten heb gekeken. Ondertussen hoor ik de bestuurders achter me denken. Dom, een vrouw natuurlijk, en nog wel uit het buitenland, of liever, uit Europa. Want dat ze zelf Europeanen zijn, is nog lang niet bij iedereen doorgedrongen. Ook niet bij de weerman die aan het einde van het journaal afsluit met het weerbericht voor Groot Brittannië, gevolgd door de woorden: and for those of you travelling to Europe....

Na nog weer wachten, komt er een medewerker aankuieren. Wat het probleem is, vraagt hij weer. Daarna kijkt hij eerst nog maar eens in de bak met geweigerde munten, want je weet maar nooit, zo'n vrouw, en nog alleen ook. Kun je iets anders verwachten? Ook hij constateert dat er niets mis is, hoewel ik hem er eerst van moet overtuigen dat ik er echt, heus, zeker weten, twee Engelse ponden in heb gegooid. Als ik die niet had, had ik immers nooit dit poortje, het snelle poortje, gekozen. Daar ziet hij uiteindelijk de logica van in. Tot mijn opluchting haalt hij een sleutel te voorschijn, opent daarmee een kastje, drukt op een knop, en presto, de slagboom gaat omhoog.
Snel rijd ik weg, zonder om te kijken naar de lange rij achter me.

Ik heb wat geleerd voor de terugweg, die ook weer via dit tolpunt gaat, en kies een bemand poortje, gepast geld of niet. Helaas, zoals te verwachten is er uitsluitend een loket aan de – lege- passagierskant. Maar de man in het hok heeft een hele lange arm, en met veel gerek van beide kanten kan hij mijn munten door het geopende raampje nog net met zijn vingertoppen aanpakken. Hij zou iets moeten leren van de vrouw die ik de vorige keer trof en die een lange soeplepel door het open raampje stak.

En dan durven ze nog te beweren dat vrouwen niet creatief zijn.

Thursday, April 7, 2016

Konijnen

Merkwaardig hoe het landschap abrupt verandert in dit zo grote land, het middenwesten van de Verenigde Staten. Elise heeft 's morgens na haar vertrek uit het motel uren door een onontgonnen gebied gereden, dat ze hier "wilderness" noemen, een term waar ze zich vroeger iets heel anders bij had voorgesteld: lianen, ondoordringbaar oerwoud, geen wegen of paden, wilde dieren. Een vaag beeld en zo totaal anders dan dit landschap. De "wilderness" hier is een aaneenschakeling van moerassen, meren, dode berken en espen, onderbegroeiing in fel rode herfstkleuren, bomen met saffraangeel blad die lichtgevend afsteken tegen de kleine, donkere dennen. De begroeiing is schaars en er is veel licht. Niet zoals de donkere wouden uit de sprookjes van de gebroeders Grimm. Hier geen diep zwarte aarde, maar kale rotsen, met daartussen wat onvruchtbare grond. De grijze rotsplateaus zijn prachtig dooraderd, wit en roze wisselen elkaar af in fascinerende patronen. Hier en daar wat ingestorte en verlaten schuren, de vervlogen dromen van pioniers die eens hoopten dit land in cultuur te kunnen brengen. Er schijnen hier beren te zijn, maar helaas heeft Elise tot nu toe alleen watervlugge gestreepte grondeekhoorns, witte en zwarte eekhoorns, herten en reeën gezien. De weg leek uren door te rollen, zonder onderbreking van een dorp of nederzetting, in eindeloze herhaling. Alsof ze rijdt op een rolband die de andere richting uitloopt, bijna een nachtmerrie.
          En dan ineens licht glooiend, en uiteindelijk vrijwel plat bouwland, dat zich mijlenver uitstrekt. Verdorde maïs, stoppelvelden waar het graan blijkbaar al geoogst is, maar nog altijd geen bebouwing. Volgens de kaart moeten hier wel wat dorpen liggen, maar ze heeft ontdekt dat de schaal van de kaarten bedrieglijk is en de afstanden veel groter dan ze verwacht. Na uren is ze eindelijk een plaats binnen gereden, zoals altijd op een kruispunt van wegen. Drie huizen, een dichtgespijkerd hotel met idem bar, een kerkje, elk gehucht wordt hier "town" genoemd. Hoe klein of vervallen ook, de meeste "towns" hebben wel een café waar je "bodemloze" koffie kunt krijgen, water en een sandwich. En een praatje. Elise hoeft haar mond maar open te doen, of men vraagt waar ze vandaan komt, wat ze in deze stad, waar niets te beleven valt, komt doen en waar ze naar op weg is. Misschien is het niet alleen haar tongval, maar ook haar kleding. Of misschien kent iedereen hier iedereen en valt elke toevallige passant op. Vriendelijk zijn ze allemaal, vrijwel zonder uitzondering, de serveersters en restaurant eigenaars, alle mensen die een praatje met haar aanknopen. Het is geen enkel probleem om als vrouw alleen door dit immens grote land te reizen. Ze is wel voorzichtig waar ze logeert. Bij voorkeur niet in de klassieke motels, rijen kamers met alleen een deur naar buiten. Het geeft haar een onveilig gevoel. Trouwens, er zijn weinig van die motels over. Ze herinnert zich dat minstens twintig jaar terug, toen ze met iemand samen reisde, elke plaats zo'n motel had. Nu zijn ze vrijwel overal dichtgespijkerd, staan te koop of zijn vervallen, de verf afgebladderd. Grote motelketens, te vinden langs alle hoofdwegen, hebben het overgenomen. Het betekent dat ze moet zorgen dat ze tegen de avond van de binnenwegen af is en een plaats aan een hoofdweg moet opzoeken.
          Vanochtend is ze begonnen op  een binnenweg, eentje die parallel loopt aan een hoofdweg en waarschijnlijk vroeger de hoofdweg was. Hieraan liggen de dorpen – als er tenminste bebouwing is -, de boerderijen met hun enorme schuren, roodgeverfd, en oude graansilo's. Bovendien ontelbare kleine kerkjes. Soms lijkt het of een plaats meer kerken heeft dan huizen. Ze staan langs de weg, dikwijls twee of drie niet ver van elkaar af, voor elk van de verschillende denominaties een eigen kerkje. De witte houten torens wijzen naar de wijde hemel. Van sommigen is de verf afgebladderd, anderen zien er goed onderhouden uit.
          Aan de namen te zien rijdt ze door een oorspronkelijk Duits gebied. Opvallend hoe immigranten hun eigen volksgenoten opzochten, blijkbaar bij elkaar steun zochten in het onbekende land. Alle grote Duitse plaatsnamen komen voorbij. Het landschap is hier lieflijker, zacht glooiend, en meer in cultuur gebracht. Fel oranje pompoenen worden langs de weg aangeboden op houten karren of kramen. Halloween nadert, hier bijna even belangrijk als Kerst.
          Op een kruispunt van twee wegen stopt Elise. Rond een wit houten huis met veranda, liggen ook weer gele en oranje pompoenen en kalebassen opgestapeld. Oude wagenwielen complementeren het schilderachtige tafereel. Elise parkeert de auto en stapt uit om foto's te nemen. Achter het huis is een klein tuincentrum, of meer een grote bloemen- en plantenwinkel. Bakken met herfstchrysanten in gele en roestige tinten staan buiten. Het huis, waaraan de vrolijk wapperende "stars en stripes" niet ontbreekt, blijkt een cadeau winkel. Nieuwsgierig gaat Elise naar binnen. Souvenirs, huisvlijt, gebreide en genaaide cadeaus zoals warme sokken, wanten, mutsen en sjaals, zeep, geurtjes, het ligt door elkaar uitgestald. Er is niemand in de winkel. Bij een doos met een gleuf staat een bordje met het verzoek bij afwezigheid van personeel eventuele aankopen af te rekenen in het tuincentrum, of gepast geld in de doos te deponeren. Een stadje waar je blijkbaar niet alleen de achterdeur van je huis open kunt laten, maar ook je winkel vol nering onbeheerd kunt laten. Elise vindt niets van haar gading.
          Als ze weer buiten staat, ziet ze een bord dat richting Hamburg wijst. Dat wil ze wel eens zien, een broertje van die grote stad. Nieuwsgierig volgt ze de pijl en slaat de dwarsweg in. Na slechts een paar kilometer rijden, parkeert ze de auto tegenover een merkwaardige beeldengroep langs de weg. Voor de beelden een klein bloemperk, waar een man bezig is met het begieten van de plantjes. De beelden lichten op in het schrale herfstzonnetje. De man die de plantjes verzorgt, kijkt stug voor zich uit en zegt niets als ze naar de beeldengroep loopt om die van dichtbij te bekijken. De vier levensgrote en levensechte beelden, zijn blijkbaar nieuw gezien de datum op het kleine bord dat ook vermeldt dat de groep een hommage is aan de openbare diensten en dat het een brandweerman,verpleger, politieagent en soldaat voor stelt. Wie zou dit bedacht en betaald hebben? Hoeveel mensen behalve de inwoners van deze afgelegen nederzetting zullen hier langs komen? Vragen die ze niet durft te stellen aan de zwijgzame man die haar volkomen negeert, alsof hij ook blind is. De beelden staan met de rug naar het weidse uitzicht over het land, en kijken uit op een prachtig houten huis naast het terrein waar ze haar auto heeft geparkeerd. Wat zou ze graag in zo'n huis wonen, met een veranda rondom, op de hoek uitgebouwd als een soort muziekkoepel of theekoepel. Op de veranda een tafel en tuinstoelen. Het uitzicht vandaar moet geweldig zijn.
          Als ze terug loopt naar haar auto, komt er een man op haar af.
          'Hallo! Alleen? Ik zag het nummerbord van je auto. Je bent ver van huis. Waar kom je vandaan?'
          Elise aarzelt. Moet ze alles vertellen? 'Europa,' zegt ze.
          'Ah, huurauto. Wat zoek je hier?'
          'Ach, gewoon een rondreis.'
          'Alleen?'
          'Waarom niet? Als ik moet wachten op gezelschap....'
          'Zo moeilijk is dat toch niet?'
          'Wat een vreemde beeldengroep,' zegt Elise om de conversatie een andere richting uit te sturen.
          'O die, iemand vond dat de openbare diensten in het zonnetje gezet moesten worden...'
          Elise kijkt naar de beelden die blikkeren in de zon. De man geeft geen verdere informatie.
          'Ik ga maar weer eens verder,' zegt ze na een korte stilte en draait zich om naar de auto. 'Sta ik op uw terrein?'
          'Je bent vrij om te parkeren waar je wilt. Ik woon daar.' Hij wijst naar het witte houten huis met de veranda dat ze heeft staan bewonderen.
          'Ik hoop niet dat u het erg vindt dat ik er foto's van heb gemaakt. Ik ben gek op dat soort huizen. Hebt u het zelf versierd?'  Ze wijst op de skeletten en spookfiguren die van het dak van de veranda bungelen, en de pompoenen die langs de veranda liggen.
          'Mijn dochter, voor als de kleinkinderen komen. Mijn vrouw deed dat altijd. Ze is pas overleden. Voor elk feest versierde ze het huis uitbundig. Nu doet mijn dochter het.'
          'Oh, sorry.'
          Hij kijkt haar vrolijk aan. 'Bouwen ze dat soort huizen niet in Europa? Waar in Europa eigenlijk? Dat heb je nog niet verteld. Europa is groot.'
          'Nederland.'
          'Mijn vrouw was Française.'
Elise kijkt van opzij naar hem. Hij heeft ruwe handen, een stoppelige baard. Niet iemand waar ze een Française bij zou denken.
          'Je kunt ook gerust hier blijven hoor. Geen bezwaar.'
          'Ik moet verder.'
          'Nu al? Haast? Kom, ik wil je mijn hobby laten zien.' Hij wacht haar antwoord niet af, pakt haar bij haar elleboog en leidt haar naar een grote schuur. Er gaat een rilling door Elise heen als hij de sleutel omdraait in het stevige slot. Zijn ontvoeringszaken, verkrachtingen, ja zelfs moord, ook niet zo begonnen, zo onschuldig? Zoals in dat boek van Emma D., die Engelse schrijfster, waar ze beschrijft hoe een vrouw jarenlang wordt vastgehouden in een ondergrondse ruimte. Meegelokt door een man die haar vroeg even te komen kijken  omdat hij een zieke hond achterin zijn bestelbusje had liggen. Of die Belgische meisjes, en die studentes in Engeland, dat Oostenrijkse meisje dat zo jarenlang is vastgehouden. Een hobbyschuur. Wie weet dat ze hier is? Stel je niet aan, spreekt Elise zichzelf toe. Belachelijk. je bent niet mooi en niet jong. Denk je nou heus...? Bovendien, dit is een land van open winkels, met een "honesty box". Wat kan er misgaan? Idioot. Ze moet zich niet zo aanstellen.
          De man legt zijn hand in haar rug en leidt haar naar binnen. 'Hier, kom.' Een weeïge lucht komt haar tegemoet, muf, benauwd, het prikkelt de slijmvliezen. Voor zich ziet Elise rijen hokken en kooien, in ieder hok een of twee konijnen. Niet zomaar konijnen die je bij tientallen in de duinen aantreft, of de Vlaamse reuzen en hangoorkonijnen uit de dierenwinkel, nee, kleine, grote, gevlekte als een panter of als een lapjeskat, geblokte, grijze, witte, bruine, ze zijn allemaal anders.
          'Konijnen,' zegt de man triomfantelijk, 'Prijskonijnen.' Hij opent een hok, pakt er een konijn uit, drukt kop en kont met zijn grote handen naar elkaar toe zodat  de rug zich kromt en streelt de vacht van het diertje tegen de haren in.
          'Hier, voel!' Hij pakt haar hand. Zijn hand is hard en eeltig. 'Voel! Fluweel, vind je niet? Kortharig.' Ze heeft een beetje medelijden met het konijn, maar het schijnt nergens onder te lijden.
          'Ik win wedstrijden. Kijk, mijn prijzen, daar, bovenop de hokken.' Hij wijst naar een stel kleurrijke ornamenten, paaltjes op sokkel, in neon en gouden tinten. Het zijn er heel wat.
          'Waar let men op bij zo'n wedstrijd, wat is belangrijk?'
          'De vacht, de glans, de kleurpatronen. Eigenlijk heel veel.' Hij opent een van de kooien, graait in een nest met nog blinde jongen. 'Je kunt de vacht nog niet zien. Hier, pak maar!' Het halfblinde jong verdwijnt bijna in haar toch kleine hand.
          'Kom, ik heb nog een ander nest.' Hij zet het jong terug, sluit het deurtje en loopt naar een ander hok in een verre hoek. Het stinkt. Elise kan alleen maar denken dat ze hier weg wil, de buitenlucht in. De man gaat dicht tegen haar aan staan - er is niet veel ruimte in de hoek - , opent het deurtje en haalt een heel nest te voorschijn met wel acht jongen. Twee zijn er pikzwart, een totaal andere kleur dan de rest van het nest.
          'Wat doet u daarmee? Zijn dat ook prijskonijnen?'
          'Nee, die zijn niet goed van kleur. Ik geef ze aan de dierenwinkel, of aan kinderen als troeteldier.'
          'Hoe lang doet u dit al?'
          'Tja, weet ik niet precies. Mijn dochter vond een konijn, toen ze klein was. Jaren geleden dus. Ik heb een hok gemaakt. Ze vond het zielig dat het beestje alleen was, en daarom haalden we een tweede konijn bij de dierenwinkel. En toen hadden we opeens een nest en zo is het begonnen.'
          'Hier zitten ze apart. Hoe vaak hebben ze een nest?'
          'Niet meer dan twee keer per jaar. Dat is beter voor ze. Ik regel het. Kijk.'
          Elise bijt op haar lip. Stom. Wat heeft ze gezegd. Konijnen fokken. De man weet er alles van. Van fokken. Dieren, mensen, niet veel verschil. Waarom is ze daar nu weer over begonnen? Ondertussen heeft de man het nest teruggelegd en voert hij Elise naar weer een andere hoek. Tegen de muur een whiteboard met daarop voor Elise onbegrijpelijke aantekeningen.
          'Elk konijn staat hier op. Met wie en wanneer een konijn gepaard heeft, hoeveel jongen ze heeft geworpen enz. Het is een hele administratie'
          'Hoeveel konijnen hebt u?'
          'Zo'n tweehonderd, schat ik. Het varieert. Een dure hobby.'
          'Het houdt u van de straat,' zegt Elise om het gevoel van onbehagen wat weg te praten. Hij lacht, pakt een van zijn trofeeën op.
          'Ooit een trofee gewonnen? Zo'n mooie vrouw als jij verdient een trofee!'
          Elise kijkt verschrikt op. Tegelijkertijd schaamt ze zich, dat ze hem wantrouwt. Want waarom eigenlijk? Ze lacht wat stijfjes en loopt naar de deur.
          'Dank u wel. Maar ik moet nu echt verder.'
          'Kom, ik heb nog een hobby.' Als de man de twee deuren weer zorgvuldig heeft gesloten, neemt hij Elise mee naar een caravan, achter zijn konijnenschuur. Ze is nu uit het zicht verdwenen. De man staat ook wel erg dicht tegen haar aan. En het is hier behoorlijk afgelegen. Al die tijd heeft ze geen auto voorbij horen komen, geen mens langs zien lopen. De man die de bloemen bij de beeldengroep besproeide, is verdwenen. De tuinslang ligt opgerold naast het bloemperk. Haar gastheer – of cipier? – zoekt een sleutel. De caravan blinkt. Aluminium? Een ijzeren gevangenis? Tot haar opluchting kan hij de sleutel niet vinden.
           'Ligt zeker binnen.' mompelt de man na enig zoeken in zijn zakken. Hij keert zich naar Elise: 'IJsvissen. Ik doe aan ijsvissen. De caravan is daar helemaal voor uitgerust. Heel knus, met verwarming en alles. Jammer, ik heb de sleutel niet hier.' Hij zoekt nog een poosje, kijkt in de schuur, maar geeft het op. Toch laat hij haar niet gaan, want als Elise richting auto loopt zegt hij: 'Je hebt het huis van binnen nog niet gezien.' Hij stuurt haar de andere kant op. Ze aarzelt. 'Je vond het huis toch zo mooi? Je moet het van binnen zien.'
          Ze heeft het huis inderdaad van alle kanten gefotografeerd en is best nieuwsgierig hoe het er van binnen uitziet. Dus geeft ze zich gewonnen en loopt mee. Ze gaan de trap van de veranda op en door de eetkamerdeur naar binnen. Het huis is klein, met prachtig glanzend houten vloeren. De zitkamer biedt een schitterend uitzicht, over de weg heen, op het ruime land er tegenover. Het ziet er allemaal verzorgd uit. Houdt hij dat allemaal zelf zo schoon, of doet zijn dochter dat? Ze zal het nooit weten. De grote houten eettafel met de zes stoelen is uitnodigend. Gelukkig biedt hij haar niet aan mee te lopen naar boven, maar leidt hij haar naar buiten, naar het "deck" voor de eetkamer, en naar de veranda om het huis.
          'Is die veranda oorspronkelijk?'  vraagt Elise als ze in het theekoepel gedeelte zijn.
          'Heb ik een paar jaar geleden zelf aangebouwd. Ga zitten.' Uitnodigend wijst hij naar de stoelen, waarvan de kussens vanwege het seizoen al opgeborgen zijn.
          'Maar ik moet nu echt gaan.'
          'Heb je haast? Je kunt hier wel blijven,' zegt hij.'Wonen, bedoel ik.'
          'Ik woon in Europa.'
          'Geeft toch niks! Zomers hier, 's winters daar. Is niks op tegen.'
           Elise glimlacht wat schaapachtig, bedankt de man vriendelijk en loopt opgelucht naar de auto. Als ze het portier opent, roept hij haar na:
          'En op het deck kan ik een hottub voor je zetten!'






          

Monday, March 28, 2016

Goudvis

Vier sterren, dan verwacht je toch iets anders, iets groots, met een chique uitstraling. De smalle witte gevel valt me dan ook niet meteen op, ingeklemd tussen een afbladderend pand en een open garagedeur waar Segways verhuurd worden, een soort elektrische step op dikke banden waarmee je hier de stad kunt verkennen. Een groepje toeristen met fietshelmen en rugzakken verlaat als een zwerm bijen het pand, wat onwennig sturend op dit niet alledaagse vervoermiddel. Daarnaast de ingang van een pand waar je je kunt laten masseren. Er tegenover een zachtgeel gestuukt kerkje, op een plein omzoomd met bomen. In deze oude stad met nauwe straten en stegen is de ruimte een verademing.
De eenvoudige gevel van het hotel is misleidend: erachter gaat een hypermodern interieur schuil. Marmer en staal, grijs en wit voeren de boventoon. State of the art leren fauteuils en state of the art receptionistes, gekapt en gemanicuurd. Het is aangenaam koel binnen. De receptionistes zijn buitengewoon behulpzaam en vriendelijk, mijn kamer is een complete verrassing. Waar kreeg ik ooit een stereo installatie met Bose boxen, een oplader voor mijn iPod, een raam dat open kan nog wel met uitzicht op het plein met de kerk en de bomen. In de trendy badkamer tref ik een keur aan flaconnetjes – flesjes kun je ze niet noemen  - met shampoos, lotions en badschuim in allerlei variëteiten. Ik had niets mee hoeven nemen, maar ben deze luxe niet gewend. Soms tref ik alleen een stukje keiharde zeep aan in een hotelbadkamer waar met de beste wil van de wereld geen schuim mee te maken valt. Als ik de prijslijst op de binnenkant van de kamerdeur zie, schrik ik. Ik heb wel geboft met het speciale aanbod waarvan ik gebruik heb gemaakt. Tevreden laat ik me achterover vallen op het brede bed. Een heel bed voor mij alleen en een keur aan kussens, grijze, zwarte en wit linnen, dik en zacht.
Maar ik ben hier gekomen om de stad te bekijken. Met moeite maak ik mij los uit de omhelzing van het bed, pak mijn handbagage uit, trek gemakkelijke schoenen aan, zoek een plattegrond van de stad en ga op pad. Ik neem geen reisgids mee, wil me laten verrassen door wat ik zie en tegenkom. Misschien een rare gewoonte. Die heb ik mezelf aangeleerd nadat ik merkte dat het lezen van reisgidsen me alleen maar onrustig maakte. Ik wilde alles zien, was bang iets te missen, wist al wat ik zou zien. De verrassing was verdwenen. Nu ben ik ontdekkingsreizigster, iemand die alles voor het eerst ontdekt, zich erover verwondert, het door wil geven, vast wil leggen. Een vorm van zelfbedrog. Maar wat geeft het?
Als ik 's avonds voldaan maar moe terug kom in het hotel, zegt de receptioniste: ‘Ik geloof dat ik vergeten ben u dit te geven,’ en reikt me een A4tje aan. Eenmaal op de kamer lees ik het aandachtig door, met stijgende verbazing.
Mist u uw huisdier? staat er in vet gedrukte letters. Daarna volgt het aanbod van… een goudvis, een heuse goudvis. Als ik wil kan ik een kom met inhoud op mijn kamer krijgen. Er zit een heel verhaal achter. Misschien wel eenzelfde verhaal als dat van een vriendin, denk ik.
Die vriendin bewoont een schitterend huis, een landgoed eigenlijk, in de Cotswolds, grenzend aan een riviertje. Het gedeelte dat door haar tuin loopt, is zelfs haar eigendom. Helaas ligt haar land laag en de rivier heeft regelmatig de neiging buiten haar oevers te treden. Een aantal jaren terug was er een nogal ernstige overstroming en stond haar hele tuin een aantal weken blank. De eenden en zwanen die ze altijd voerde als de vrouwelijke incarnatie van St. Franciscus peddelden tot aan haar achterdeur, bedelend om voer. In haar tuin had ze ook een kleine siervijver, die ze nauwelijks meer terug kon vinden. Toen het water eenmaal zakte en er alleen in de wat diepere bloembedden water stond, zag ze tot haar verbazing een goudvis zwemmen in haar rozenperkje. Ze kon de vis net op tijd redden, voor hij happend naar adem ten onder zou zijn gegaan. Voorzichtig had ze hem in het vijvertje terug gezet. Misschien dat hier net zoiets speelde.
Nieuwsgierig lees ik verder. En ja hoor, na de ernstige overstromingen in deze stad, zo’n 10 jaar geleden, was op de plek van het hotel ook een goudvis aangetroffen, een vis die symbolisch werd voor de overstromingen en die nu in ere wordt gehouden door de tijdelijke bewoners een goudvis aan te bieden. Maar dat was niet alles.
Hebt u heimwee naar uw huisdier? zo begint de volgende alinea. Ik denk meteen aan Raven, mijn labrador. Een schat van een hond. Ik heb haar nog maar pas en vond het best moeilijk haar achter te laten, terwijl ze echt in goede handen is. Wat een verschil met mijn vorige hond, een herder. Die was ook lief, tegen mij tenminste, en behoorlijk waakzaam. Als iemand maar met een vinger naar me wees, was ze meteen alert. Niemand zou er ’s nachts in geslaagd zijn ongemerkt binnen te komen. Hoe anders is Raven. Ze mag dan vervaarlijk lijken met haar postuur en glanzend zwarte vacht, maar het is een allemansvriend die elke inbreker kwispelstaartend tegemoet zou komen. Ha, iemand om mee te spelen, zou ze denken. Blaffen kan ze al helemaal niet. Wel zo rustig in een dichtbevolkte wijk, maar als waakhond heb je er niks aan. En ja, ik mis haar. Maar zou een goudvis daar tegen helpen? Een koudbloedige vis, die niet met haar kop op je voeten komt liggen als je thuis achter je pc zit, niet met een natte neus tegen je been duwt als ze uitgelaten wil worden? Nee, tegen heimwee zou het niet helpen. Toch misschien wel leuk, zo’n vis. Ik zal het de receptie vertellen voor ik ga eten in dat restaurantje om de hoek.
En warempel, als ik geheel verzadigd na een lekker maal mijn kamer binnen ga, staat hij er, de kom met daarin een feloranje gekleurde vis en een gifgroen stukje waterplant. Echt of nep is niet duidelijk. Er ligt een briefje naast waarop staat dat ik de vis niet hoef te verzorgen (roskammen, schubben gladstrijken?) of hoef te voeren, daar zorgt het hotelpersoneel voor. Prima. Ik kijk eens goed naar de vis, mijn oog dichtbij het glas. Zij of hij – schijnt er niet van te schrikken. Ik moet zeggen, het fel oranje doet het goed in deze kamer in zwart-wit en grijs tinten. Na een poosje krijg ik genoeg van het kijken. Ik ga op bed liggen en zoek een klassiek muziekje op mijn iPod. Mozart, een pianoconcert. De versterker staat vlak naast de kom. De vis draait rondjes op de maat van de muziek, lijkt het. Is het verbeelding, of voelt de vis de trillingen? Eens kijken of ik iets anders kan vinden. Rachmaninov, een beetje woester. Ja hoor, de vis zwemt mee. Wat een leuk spelletje. Ik probeer allerlei andere muziek, steeds hardere, steeds vluggere tempi, meer popmuziek. Op de een of andere manier voelt mijn vis het. Ze wordt steeds onrustiger, zwemt al maar sneller. Ergens moet ik rock en hard metal hebben. Uiteraard niet door mij op de iPod gezet. Een grapje van een neef, de jongste generatie die me wil opvoeden. Wat nou klassiek. Dit moet ik ook gaan waarderen. Dit is hun muziek. Na enig speurwerk heb ik de nummers gevonden. Kleine verrassing.  De grapjas heeft ze in een map met mijn favoriete klassieke muziek gezet. Hoopt waarschijnlijk dat ik de shuffle functie zal gebruiken en me een ongeluk zal schrikken. Ik kan het niet laten, maar moet wel mee bewegen, mee dansen met de muziek, steeds woester, steeds luider. De vis beweegt ook mee. Ik raak bijna in trance, let niet meer op de snel bewegende oranje schicht, sluit mijn ogen, dans en dans met mijn hele lichaam, met elke vezel, tot de muziek zwijgt en ik uitgeput op bed neerval. Mijn hart bonst als een razende. Geen conditie. Moet ik wat aan doen. Als ik een beetje tot rust ben gekomen, kijk ik op. Waar is mijn vis, mijn rode pijlsnelle schicht? Gek, straks draaide ze nog rondjes. Ik loop naar de bak en dan zie ik het, ze ligt op de bodem van de kom, op haar zij. Ze zal toch niet…? Ik tik tegen het glas, en nog eens wat harder, steeds ongeduldiger. Steek uiteindelijk mijn vinger in de kom en raak haar voorzichtig aan. Niets, er gebeurt niets. Ze is dood, echt dood. Kunnen vissen ook een hartstilstand krijgen? Moet ik het de receptie melden? Op dit uur, nu? Ik verwijder de muziekbestanden van mijn iPod en ga slapen. Morgen is er weer een dag. Ik hoop op een wonderbaarlijke herrijzenis in de nacht.



De volgende ochtend ligt ze nog steeds stil op de bodem. Maar als ik terug kom na een museumbezoek, zwemt ze weer rond in de kom. Dezelfde? Een andere? Een goudvis is een goudvis. Ik zal het nooit weten.

Friday, March 25, 2016

Geboortegrond

Geboortegrond
Ik houd van rivieren, Hollandse rivieren. Het licht op het water, een zilveren lint, de weerspiegeling van kerktorens en dorpen, de kades van een grotere stad, knotwilgen, kribben die uitsteken ver in het water, de golven die rijnaken lang na het geluidloze passeren nog veroorzaken, de smalle eilandjes als kleine landtongen, de wielen het resultaat van het meanderen van de rivieren, de bruggen, modern en oud, die de oevers verbinden. Meer nog dan de zee houd ik van dit water, zoals Marsman[1] het zo treffend beschreef in lyrische bewoordingen, de traag stromende rivieren, oneindig bijna door het lage land. Ik zou een kind van de zee moeten zijn, als kleinkind van noeste vissers, van grootmoeders in lokale klederdracht en niets anders. Bepaalt je geboortegrond je liefde voor een landschap ook als je dat nooit bewust gezien of beleefd hebt? Een Scheveningse familie, slechts enkele oorlogsjaren geëvacueerd in het Oosten van het land, aan een rivier met prachtig groen achterland. Een landschap van coulissen, kleine bosschages, boerderijen en kronkelende zandpaden. Een land dat zelfs enigszins glooiend is hier en daar. Als enige van het gezin daar geboren, op de grens tussen west en oost Nederland, in een voormalige Hanzestad, een stad met een rijke geschiedenis. Een stad die onder vuur lag met name in de laatste oorlogsjaren. Een oorlog die ook invloed op mijn leven had. Maar ondanks dat heb ik dat landschap lief, een landschap dat geen heimwee heeft achtergelaten bij de rest van het gezin, de oudere kinderen, geboren aan de kust. Zij zijn gebonden aan en verbonden met de zee, het strand, de zilte lucht, de wind die nooit ophoudt te waaien, de zee die altijd ruist, soms zelfs dondert. Kan de plaats van je geboorte zo’n invloed hebben? Ik was pas 1,5 toen we weer naar het westen vertrokken, naar de kust waar het altijd waait. Waar het strand geen beschutting biedt tegen wind en regen, tegen hitte en kou. Waar de zon onbarmhartig kan steken zonder natuurlijke beschutting, de storm je mee kan voeren zonder verweer, geen bomen de wind breken. Van de rivieren gaat rust uit. Hoe vaak heb ik er niet langs gereden en gefietst, bij een kribbe gezeten, later, toen ik werkte, en nog later met mijn vader die lang weduwnaar was en ook hield van het late zonlicht op de rivier, van de grote schepen, het riet langs de oevers, de wolkenluchten, rood en oranje, verkleurend naar lila en paars bij zonsondergang,  de kronkelende dijken, het uitzicht. Bij hem misschien een compensatie voor het gemis van de zee, zijn habitat, dat van zijn ouders, van zijn jeugd en zijn werkzame jaren tot vrijwel zijn pensioen. Hij leerde zwemmen in de buitenhaven, gewoon door van de kade te springen en zich op z’n hondjes drijvende te houden, een kind van de zee. Hij miste het visje aan de haven, de loggers, de geteerde tonnen die allang verdwenen zijn, de geur van visrokerijen bij de visafslag en in de Badhuisstraat. De donkere schuren waar de gerookte scharretjes geregen aan lijnen in de nok hingen, met visvlees dat donker doorrookt was en verrukkelijk smaakte, zonder een greintje vet erin. Pittig, taai, en toch sappig. De rivieren boden hem het weidse zicht dat hij aan het strand kende en dat hij miste in de bossen, al hield hij daar ook van. Van de vele vogels, de reeën, het jonge groen in alle schakeringen in het voorjaar, de koperen kleurenpracht in het najaar, de geur van rottende bladeren. Zijn verlangen naar de zee was niet zo sterk dat hij na zijn pensioen daarheen terug wilde. Het was gemakkelijk genoeg om  er een dag naar toe te gaan, zijn ouders daar te bezoeken zolang die nog leefden, verse vis te kopen aan de haven. Zijn kinderen uit te nodigen om een visje te komen eten, bij een naamgenoot, een eenvoudig restaurant met zeiltjes op tafel waar een gepensioneerde visser in de keuken vis bakte zoals hij van jongs af aan geleerd had. De lekkerste vis die je kunt denken. Erbij sla en frites, en dat was alles. Als enige luxe een glas witte wijn.
   Neemt een baby de geuren op van zijn omgeving, van het land waarin hij geboren is. De geur van de rivier in mijn geval, een zweem van oude beukenbomen, eikels en beukennootjes in het najaar. Wat weet een baby intuïtief, of wat nemen de zintuigen op. Krijg je een blauwdruk mee van de aarde waarin je geworteld denkt te zijn, waar je het levenslicht zag? Ik weet dingen die ik niet kon weten, leed aan angsten die onverklaarbaar leken, aan een onbegrepen oorlogstrauma. Staat een kind misschien dichter bij het dier, dat instinctmatig dingen weet, voelt, kent.
    De oorlog liet sporen na, niet alleen bij mijn ouders en bij de oudere kinderen, maar ook bij mij, een beschermde baby, totaal afhankelijk van mijn ouders. Maar toch blijft de liefde voor die streek waar ik geboren ben.




[1] Marsman (dit is een ander gedicht van hem, dat het landschap mooi beschrijft)
 In de weiden grazen,de vreedzame dieren;
de reigers zeilen over blinkende meren,
de roerdompen staan bij een donkere plas;
en in de uiterwaarden galoppeeren de paarden
met golvende staarten over golvend gras.