Friday, March 25, 2016

Geboortegrond

Geboortegrond
Ik houd van rivieren, Hollandse rivieren. Het licht op het water, een zilveren lint, de weerspiegeling van kerktorens en dorpen, de kades van een grotere stad, knotwilgen, kribben die uitsteken ver in het water, de golven die rijnaken lang na het geluidloze passeren nog veroorzaken, de smalle eilandjes als kleine landtongen, de wielen het resultaat van het meanderen van de rivieren, de bruggen, modern en oud, die de oevers verbinden. Meer nog dan de zee houd ik van dit water, zoals Marsman[1] het zo treffend beschreef in lyrische bewoordingen, de traag stromende rivieren, oneindig bijna door het lage land. Ik zou een kind van de zee moeten zijn, als kleinkind van noeste vissers, van grootmoeders in lokale klederdracht en niets anders. Bepaalt je geboortegrond je liefde voor een landschap ook als je dat nooit bewust gezien of beleefd hebt? Een Scheveningse familie, slechts enkele oorlogsjaren geëvacueerd in het Oosten van het land, aan een rivier met prachtig groen achterland. Een landschap van coulissen, kleine bosschages, boerderijen en kronkelende zandpaden. Een land dat zelfs enigszins glooiend is hier en daar. Als enige van het gezin daar geboren, op de grens tussen west en oost Nederland, in een voormalige Hanzestad, een stad met een rijke geschiedenis. Een stad die onder vuur lag met name in de laatste oorlogsjaren. Een oorlog die ook invloed op mijn leven had. Maar ondanks dat heb ik dat landschap lief, een landschap dat geen heimwee heeft achtergelaten bij de rest van het gezin, de oudere kinderen, geboren aan de kust. Zij zijn gebonden aan en verbonden met de zee, het strand, de zilte lucht, de wind die nooit ophoudt te waaien, de zee die altijd ruist, soms zelfs dondert. Kan de plaats van je geboorte zo’n invloed hebben? Ik was pas 1,5 toen we weer naar het westen vertrokken, naar de kust waar het altijd waait. Waar het strand geen beschutting biedt tegen wind en regen, tegen hitte en kou. Waar de zon onbarmhartig kan steken zonder natuurlijke beschutting, de storm je mee kan voeren zonder verweer, geen bomen de wind breken. Van de rivieren gaat rust uit. Hoe vaak heb ik er niet langs gereden en gefietst, bij een kribbe gezeten, later, toen ik werkte, en nog later met mijn vader die lang weduwnaar was en ook hield van het late zonlicht op de rivier, van de grote schepen, het riet langs de oevers, de wolkenluchten, rood en oranje, verkleurend naar lila en paars bij zonsondergang,  de kronkelende dijken, het uitzicht. Bij hem misschien een compensatie voor het gemis van de zee, zijn habitat, dat van zijn ouders, van zijn jeugd en zijn werkzame jaren tot vrijwel zijn pensioen. Hij leerde zwemmen in de buitenhaven, gewoon door van de kade te springen en zich op z’n hondjes drijvende te houden, een kind van de zee. Hij miste het visje aan de haven, de loggers, de geteerde tonnen die allang verdwenen zijn, de geur van visrokerijen bij de visafslag en in de Badhuisstraat. De donkere schuren waar de gerookte scharretjes geregen aan lijnen in de nok hingen, met visvlees dat donker doorrookt was en verrukkelijk smaakte, zonder een greintje vet erin. Pittig, taai, en toch sappig. De rivieren boden hem het weidse zicht dat hij aan het strand kende en dat hij miste in de bossen, al hield hij daar ook van. Van de vele vogels, de reeën, het jonge groen in alle schakeringen in het voorjaar, de koperen kleurenpracht in het najaar, de geur van rottende bladeren. Zijn verlangen naar de zee was niet zo sterk dat hij na zijn pensioen daarheen terug wilde. Het was gemakkelijk genoeg om  er een dag naar toe te gaan, zijn ouders daar te bezoeken zolang die nog leefden, verse vis te kopen aan de haven. Zijn kinderen uit te nodigen om een visje te komen eten, bij een naamgenoot, een eenvoudig restaurant met zeiltjes op tafel waar een gepensioneerde visser in de keuken vis bakte zoals hij van jongs af aan geleerd had. De lekkerste vis die je kunt denken. Erbij sla en frites, en dat was alles. Als enige luxe een glas witte wijn.
   Neemt een baby de geuren op van zijn omgeving, van het land waarin hij geboren is. De geur van de rivier in mijn geval, een zweem van oude beukenbomen, eikels en beukennootjes in het najaar. Wat weet een baby intuïtief, of wat nemen de zintuigen op. Krijg je een blauwdruk mee van de aarde waarin je geworteld denkt te zijn, waar je het levenslicht zag? Ik weet dingen die ik niet kon weten, leed aan angsten die onverklaarbaar leken, aan een onbegrepen oorlogstrauma. Staat een kind misschien dichter bij het dier, dat instinctmatig dingen weet, voelt, kent.
    De oorlog liet sporen na, niet alleen bij mijn ouders en bij de oudere kinderen, maar ook bij mij, een beschermde baby, totaal afhankelijk van mijn ouders. Maar toch blijft de liefde voor die streek waar ik geboren ben.




[1] Marsman (dit is een ander gedicht van hem, dat het landschap mooi beschrijft)
 In de weiden grazen,de vreedzame dieren;
de reigers zeilen over blinkende meren,
de roerdompen staan bij een donkere plas;
en in de uiterwaarden galoppeeren de paarden
met golvende staarten over golvend gras.

No comments:

Post a Comment