Friday, May 27, 2016

Mijn liefje, mijn duifje

'Het kwam allemaal door een pastei.'
'Hoe bedoelt u?' zei de man op de stoel naast hem. Hij tekende een dampende vleespastei op zijn blocnote, zo één met een deegdeksel met kleine gaatjes waaruit stoom ontsnapt. Hij rook de geurige dampen, proefde de pastei. Het water liep hem in de mond. Het was ver na etenstijd, en hij had trek. Zoals gewoonlijk was zijn spreekuur weer eens uitgelopen. Het was hem nooit gelukt zijn consulten tot een half uur of een uur te beperken. Als een patiënt midden in zijn verhaal zat, kon hij hem moeilijk afbreken. Slecht voor de patiënt, hield hij zichzelf voor. In feite was hij dikwijls zo gefascineerd door de verhalen van sommige van zijn patiënten, dat hij ze niet midden in hun soms verwarde of dromerige relaas wilde onderbreken
'Eigenlijk moet ik bij het begin beginnen, anders snapt u het niet,' zei de man op de sofa naast hem.
De arts zei niets, speelde wat met zijn pen. De patiënt vatte dit op als toestemming of aanmoediging, en begon met zachte stem, enigszins aarzelend, aan zijn relaas.
'U moet begrijpen, dokter, dat ik zielsveel van mijn vrouw houd. Of moet ik zeggen, heb gehouden? Het was liefde op het eerste gezicht.'
De arts tekende in een paar snelle streken een staand paar dat elkaar omarmt, en face, met drie hartjes die tussen het paar in opstijgen, zoals je wel op Valentijnskaarten ziet. Zijn secretaresse was verbaasd over de wonderlijke dossiers van haar baas. In haar vorige baan had ze lange vellen droge tekst moeten uittypen, met onbegrijpelijke beschrijvingen van patiënten en hun problemen, fantasieën en waanideeën. Wat dat betreft maakte haar baas het haar gemakkelijk. Van hem kreeg ze vellen papier vol tekeningen, waarmee ze niets hoefde te doen dan ze achter de naam van de juiste patiënt chronologisch te archiveren. Het leken rebussen, waar ze kop nog staart aan kon ontdekken.
'Ik ben visueel ingesteld,' had haar baas haar eens uitgelegd, 'In één oogopslag zie ik zo het hele beeld van mijn patiënt weer voor me, beter dan met wat voor tekst ook.'
Hij was een verwoed amateurschilder, en de wachtkamer hing vol felgekleurde, vrolijke schilderijen van zijn hand, waar zij zuidelijke landschappen in herkende, gestoffeerd met uitnodigende huizen, planten en vogels. Als patiënt zou een bezoek aan de wachtkamer al voldoende moeten zijn om op te vrolijken en hernieuwde levensmoed te krijgen.
'Ik zat in een café,' ging zijn patiënt verder, 'U weet wel, zo'n klein dorpscafé, toen ze plotseling binnenkwam. Iedereen keek naar haar. Ze straalde iets uit, ja, hoe moet ik dat zeggen, iets ontroerends. Ze was blond, met kleine zachte krulletjes, had een porseleinen huid, blauwe ogen die vrolijk om zich heen keken.'
'Zocht ze iemand, denkt u?' vroeg de arts.
'Ik weet het niet. Ik weet wel dat ik haar toen vond. Ze liep wat aarzelend naar de bar. Ik stond meteen op, vroeg of ze op iemand wachtte en of ik haar iets mocht aanbieden. Ze accepteerde mijn aanbod, en ging bij mij aan het tafeltje zitten.'
Hij stopte even. De arts had het niet meteen in de gaten. Hij liet zijn gedachten de vrije loop tijdens de monologen van zijn patiënten. Hoewel inleidingen belangrijk waren om patiënten op gang te helpen, waren ze zelden interessant. Hij dacht aan espresso, pils, champagne, en tekende een glas wijn naast de dampende pastei.
'Zo is het gekomen, dokter,' zei de man.
'Zo is het gekomen?'
'Zo is het begonnen, ons huwelijk, ons geluk, tenminste, aanvankelijk.'
Altijd dat "tenminste", dacht de arts. Daarom lagen ze op zijn divan, om dat "tenminste". Niemand scheen te beseffen of te aanvaarden dat niets volmaakt kon zijn, althans zijn patiënten niet.
'Gaat u verder,' zei hij op bemoedigende toon. Veel aanmoediging had zijn patiënt niet nodig.
'Dokter, u weet niet hoe fantastisch ze was, hoe ze me ontroerde. U moet weten, ik ben gek op vogels. U toch ook?'
'Hoezo?' de dokter keek verrast op.
'Uw schilderijen, u schildert vogels,' zei de patiënt.
'O, u hebt dat opgemerkt. Ze zijn slechts stoffering, stoffering van het landschap. Ik ben dol op landschappen. Maar gaat u verder,' onderbrak hij zichzelf.
'We raakten aan de praat en nou ja, om kort te gaan, zo begon het. Binnen twee weken woonden we samen, en binnen een maand waren we getrouwd.'
'Vogels, u noemde vogels,' zei de arts.
'O ja. Weet u, als ik haar in mijn armen nam, mijn hand in haar nek, deed ze me aan een tere vogel denken. Haar broze botten, haar fijn besneden gezicht, en haar haar, net vogeldons als ik haar tegen de haren in streelde, van nek tot kruin. Donsveertjes, dat waren het.'
De dokter tekende een liefdespaar met monden als vogelsnavels en jukbeenderen die op vogelkoppen leken. De vrouw teer en aandoenlijk, de man gaf hij instinctmatig de trekken van een roofvogel.
'We waren een stel tortelduiven, konden niet genoeg van elkaar krijgen. Ik noemde haar "duifje". Zo was ze ook, een zacht, koerend liefdesduifje.'
'Gaat u verder,' zei de arts terwijl hij zijn tekening wat bijwerkte.
'Toen ze jarig was, leek het me wel leuk een passend cadeau te geven, iets origineels, speciaal voor haar. En opeens wist ik het, een duif, wat was passender dan een duif. Ik kocht de mooiste die ik vinden kon, een sneeuwwitte met een staart die hij uitspreidde en tentoonstelde als een pauw, pronkend en onderdrukt koerend, met een krop als een sordino.'
'Anna – zo heette mijn eigen lief, mijn duifje – Anna was verrukt. Ze kon haar ogen niet van de vogel afhouden, vertroetelde hem en probeerde zijn gekoer te imiteren. Ze smeekte me om een tweede duif. "Zo zielig, één alleen, vind je ook niet?" zei ze. Ik kon haar niets weigeren. We kochten een tweede, en ik timmerde een grotere kooi voor in de tuin. En dat was het begin van alle ellende.'
'Ellende?' vroeg de arts.
'Ja, ellende. Ze had alleen nog maar oog voor de duiven, niet meer voor mij. Haar vingers die eens mijn lichaam streelden als waren het tovenaarsstokjes, streelden nu alleen nog maar de witte duivenveren. Ze kocht boeken over duiven, ging naar lezingen, werd helemaal gefascineerd door die vogels.'
'Kon u er niet over praten?' vroeg de arts.
'Dat probeerde ik, maar ze zei dat ik me aanstelde, dat het geen kwaad kon. Het was een hobby. "Anton", zei ze, "je wilt niet dat ik een baan zoek, en we hebben geen kinderen, ik moet toch wat. Waarom ben je jaloers op een hobby? Mag ik geen hobby hebben?" Ik kon er niet veel tegenin brengen.
Op een dag kwam ik 's avonds uit mijn werk thuis en zag tot mijn verbijstering dat timmerlieden boven op het dak van mijn huis een grote kooi aan het timmeren waren. U moet weten dat we in een chique buurt wonen – ik ben niet onbemiddeld – dus u kunt zich voorstellen dat ik ontsteld was. Toen ik Anna vroeg wat dat te betekenen had, zei ze doodleuk:
"Ik ga duiven houden, postduiven en andere duiven. Ik word duivenmelkster."
"Maar lieve Anna, mijn duifje, dat kan niet zomaar. Alleen mensen in volksbuurten houden duiven. Dit is een prachtige wijk en een mooi huis. Met zo'n kooi bederf je het hele zicht. Ik vraag me af of de schoonheidscommissie hier toestemming voor geeft."
"Je kunt niets zien van de straatkant," zei Anna gedecideerd.
"Maar Anna, de buren, wat zullen de buren zeggen. En weet je wel wat voor troep duiven maken, en het lawaai!"
"Maak je geen zorgen, ik zorg voor ze. Het is mijn hobby."
Wat ik ook zei. Anna was niet te vermurwen. Ik brak de kooi eigenhandig af. Toen ik twee weken later van een zakenreis terug kwam, had ze een nieuwe kooi laten bouwen die bovendien al bevolkt was door een bonte verzameling duiven. Wat kon ik doen?'
'Hoe voelde u zich?' vroeg de arts.
'Moet u dat vragen? Bedrogen, dat kunt u zich voorstellen, bedrogen. Mijn lieve Anna, die zich niets meer van me aantrok en haar tijd alleen nog met haar duiven deelde. Een sport voor arbeiders als je het mij vraagt. Ik schaamde me, ja dat ook, ik schaamde me dat mijn frêle vrouw zoiets deed. En de buren begonnen te klagen.'
'De buren?' vroeg de arts. Hij tekende een huis met daarvoor een groep mensen met gebalde, opgeheven vuisten en rode, boze koppen. Vogels vlogen op boven het huis en er zaten vogels te pronken op de daklijst.
'Ja, de buren. Hebt U ooit wel eens een paartje duiven in uw tuin gehad, een broedend paar?' Hij wachtte de reactie van de arts niet af, 'De stank, de vuiligheid, poep, ongedierte, het is vreselijk.'
De arts tekende een vervuild balkon met in een hoek een rommelig duivennest. Inhoud: één dood duivenjong, één levend exemplaar, veel uitwerpselen, en veel krioelend ongedierte. Hij herinnerde zich de stank van het nest dat hij ooit eens had aangetroffen op het balkon van zijn studentenflat toen hij terug kwam van een lange buitenlandse studiereis.
'Gaat u verder,' zei hij uitnodigend.
'De buren klaagden over poep in de tuin en op de kozijnen, over een weeë stank, strootjes en nestmateriaal dat de duiven aanvoerden maar voortijdig lieten vallen. En dan het gekoer.'
'Houdt u daar niet van?' vroeg de arts.
'Ach, één duif gaat nog wel. Hebt u wel eens gelet op dat monotone gekoer van een duif? Als je er eenmaal op gaat letten, word je er gek van. En dan twintig duiven, of zoiets. Ook ik werd er stapelgek van. Maar wat kon ik er aan doen? Hoe ik mijn vrouw ook op andere gedachten probeerde te brengen, vleiend, lief, boos of dreigend, ze hield voet bij stuk. Langzamerhand leek ze zelf wel een duif. Ze rook in ieder geval net zo, en er kwam nauwelijks nog een zinnig woord over haar lippen.'
'Wat deed u vervolgens?' vroeg de arts. Hij probeerde wat schot in het relaas te krijgen. Zij maag begon nu wel erg te knorren en het verhaal was nog steeds niet bijster interessant. In ieder geval niet goed genoeg voor een nieuwe tekening, behalve wat doedels en nietszeggende kringels.
'Ja, en toen had ik geluk.'
'Geluk?'
'Ziet u, haar moeder kreeg een ernstig ongeluk en Anna moest spoorslags naar haar toe. Ze smeekte me goed voor haar duiven te zorgen en gaf me een waslijst aan instructies, plus een lijst van contacten die ik maar moest bellen als ik het niet meer zag zitten. Het waren medeliefhebbers, "duifgenoten" als ik het zo mag zeggen. Er kwamen en wel eens wat langs, minne, schlemiele mannetjes vond ik.'
'Discrimineert u nu niet?' zei de arts, terwijl hij snel een schlemiel met opgestroopte hemdsmouwen en los boord tekende, duif op de hand.
'Nee hoor, ik mocht ze niet. Maar wat wilde ik ook al weer zeggen?'
'Neemt u gerust de tijd, meneer Anton,' zei de arts niet geheel eerlijk.
'O ja. Nu, ik zag mijn kans schoon. Op een nacht stormde het vreselijk. Ik heb toen expres het hok open gezet, in de hoop dat alle duiven zouden ontsnappen, wegwaaien, en de weg terug niet zouden kunnen vinden. Helaas, ik had er niet aan gedacht dat duiven honkvast zijn - of moet ik "hokvast" zeggen? De volgende dag bleken er maar twee dooien te zijn, dood gebeten door de rode buurkater. Ik heb ze begraven. Toen ik het hok in kwam, vlogen de duiven op me af. Ze gingen op mijn hoofd zitten, op mijn schouders, scheten op mijn maatpak. Stom, ik was vergeten Anna's stofjas aan te trekken. Ziet u mij in een stofjas? Nou ja, razend werd ik, echt razend. De brutaliteit, de stank, dat gekoer waar ik horendol van werd, de maat was vol, ik kon me niet meer beheersen.'
De arts zat nu verrukt te tekenen: met enkele streken stond heer-in-maatpak in duivenhok, poepende vogels op hoofd en schouders, bijtend venijn dat onherstelbare vlekken nalaat in kleding.
'Ik heb ze één voor één de nek omgedraaid.'
Verschrikt keek de arts op. 'Wat zei u?'
'Ik heb ze de nek omgedraaid, allemaal, één voor één. En weet u, dokter, ze vlogen niet eens weg. En het gevoel dat me dat gaf, dat moorden, een gevoel van intense opwinding. Ik had macht. Ik besliste over leven en dood. Bij elk zacht vogelnekje dat ik hoorde knappen, dacht ik aan Anna's nek. Zou die ook zo knappen?'
De arts moest een gevoel van misselijkheid onderdrukken. Zijn pen bleef even zweven boven het papier. Daarna zette hij in snelle bewegingen de duivenmoordenaar neer, duif in hand, duif met Anna's gelaatstrekken, de trekken van de Anna uit zijn verbeelding. Hij huiverde.
'Bij iedere duif doodde ik Anna, mijn duifje, mijn liefje. En waarom, dokter, waarom?'
'Hebt u zelf een idee?' pareerde de arts.
'Nee, nee. Waar was ik gebleven. O ja, Anna zou de volgende dag thuis komen. Het ging beter met haar moeder. Ik ruimde de rommel op, maakte het hok schoon, liet de deur open staan, maakte alles in orde. Die dag bakte ik een overheerlijke pastei om Anna te verrassen. Ik ben een uitstekend kok, ziet u, al zeg ik het zelf. U zou mijn verzameling koksmessen eens moeten zien, Sabatier, allemaal, het beste van het beste. Anna en ik vlogen elkaar in de armen. We waren nog nooit zo lang van elkaar gescheiden geweest, en de afstand had haar verlangen naar mij weer aangewakkerd.
"Hoe is het met mijn duifjes?" vroeg ze.
"Straks, duifje, eerst eten, alles is klaar."
Ze genoot. De pastei was voortreffelijk, en ze overlaadde me met complimenten.
"Hoe heb je die klaar gemaakt?" vroeg ze, "En wat zit er in, ik heb nog nooit zoiets verrukkelijks gegeten."
"Wil je het echt weten?" vroeg ik?
Ze drong aan en ik verklapte het recept. Anna trok lijkbleek weg, sloeg haar hand voor de mond, rende naar de wc waar ik haar herhaaldelijk hoorde overgeven, afgewisseld met gierende uithalen. Toen ze wat bijgekomen was en de gang in kwam, keek ze me aan met ogen vol haat, veegde met de rug van haar hand haar mond af en rende stommelend de trap op naar boven, naar haar duiven. Daar gilde ze het uit, roffelde de trap weer af, struikelde en viel bonkend naar beneden. Onder aan de trap bleef ze doodstil liggen, in een vreemde houding, als een vogel die de kop tussen de veren trekt. Een arts constateerde dat haar nek gebroken was.
Ik was er kapot van. Ik had haar zo verwend. Hoe kon dat nou? En dokter, sindsdien heb ik dromen, angstdromen, nachtmerries.'
'Beschrijft u eens zo'n droom,' zei de arts.
'Het is altijd dezelfde droom. Ik breek Anna's nek, met mijn blote handen, en word wakker als ik het gekraak van haar botten hoor, badend in het zweet.'
De arts slikte even. Hij legde de laatste hand aan de kop van een roofvogel, met de trekken van meneer Anton. Daarna keek hij op en vroeg,
'Wat zat er in de pastei?'
'Het was een Victoriaans recept, heel rijk gevuld. Ik ben een echte bourgondiër.'
Wat zat er in de pastei,' vroeg de arts nogmaals.
'O, heb ik dat niet gezegd? Het was een duivenpastei.'
De arts keek zijn patiënt met afschuw aan.

'Een uitstekende kwaliteit, van de poelier, een speciale aanbieding,' 


Monday, May 2, 2016

Koorts

Paars en geel vloeien in elkaar over, als grote vlekken. In het midden lossen ze op, verdwijnen in een punt, als in het putje van het bad. Het is een beetje als bij mijn kartonnen kaleidoscoop, die ik rond moet draaien. Maar mijn kaleidoscoop heeft een heleboel felle kleuren, en dit is alleen paars en geel, geel en paars. Ik wil nooit meer paars en geel. Behalve krokusjes, die mogen paars en geel zijn. Die zijn mooi, veranderen niet van kleur, blijven staan, verdwijnen niet als je ze wilt pakken, er naar kijkt. Als ik mijn ogen voorzichtig open doe, zijn de kleuren weg. Uit alle macht probeer ik ze open te houden. Ze zijn zwaar en moe. Ze doen pijn, het licht in mijn kamertje doet pijn. Toch is het gordijn dicht. Elke keer zakken mijn oogleden weer naar beneden. Mijn oogbollen branden. Ik knipper, ik wil geen kleuren, geen paars en geel. Ik heb dorst. Het glas water staat zo ver weg. Mijn arm is te moe om het te pakken. Alles is nat, en toch heb ik dorst. Mijn kussen is nat. Als ik mijn hoofd voorzichtig verleg, voelt het ijskoud. Ik roep mijn moeder. Hoort ze het wel? Heb ik wel geroepen? Of heb ik het gedroomd? Ik roep nog eens. Er komt geen geluid uit mijn keel. Mijn keel doet pijn. Ik kan niet slikken. Mijn keel is helemaal dik.
Waarom zit mijn moeder zo ver weg? Ik heb haar niet binnen horen komen. Heb ik geslapen? Mijn bed is gegroeid. Het is heel lang geworden, als een Rijnaak – zo heten die boten, zei juf, een mooi woord, Rijnaak – zo lang is mijn bed. Ik lig voor op het schip, mijn moeder heel klein, helemaal aan de andere kant, achteraan. Waarom zit ze zover? Ze staat op, moet heel ver lopen naar me toe. 'Ik wilde je niet wakker maken.' Van hoog boven mij legt ze een hand op mijn voorhoofd. Haar arm lijkt wel een boomtak, zo lang. Haar hand is koel. 'Wat ben je warm,' zegt ze. 'Je hebt koorts'. Ik heb het koud, lig te rillen, de lakens nat, mijn haren nat. Ik wil iets zeggen, maar mijn keel knijpt dicht. Ze pakt iets, een lap, nee, een deken. Het lijkt wel het zeil van een schip. Zo groot. Ze pakt me op. Koude lucht overal om mij heen. Vlug wikkelt ze me in de deken en zet me in een gemakkelijke stoel. Alles draait, de hele kamer, het raam, de deur. De bovenkant is onder en dan weer opzij. Ik klem me vast in de stoel. Straks val ik in zee. Ik ben zeeziek, misselijk, kreun. Mijn moeder draait zich om. Ze is net te laat. Ik spuug de vloer onder. Wat gek, ik heb toch niets gegeten. 'Ach, kindje toch,' zegt ze. Ik zie haar lopen, zwaaiend op de vloer die nog altijd ronddraait. Ze loopt op het schip. Maar een Rijnaak kan toch niet op zee varen? Een rivier heeft toch geen golven? Ik doe mijn ogen dicht. Doe ze weer open als de kleuren weer komen, het paars en het geel. Mijn moeder dweilt het dek van het schip. Ze haalt natte lakens van mijn bed, schudt enorme lappen uit, legt die er op. Haar armen spreidt ze als een grote vogel. De lakens klapperen als vleugels, als wieken, als zeilen in de wind. Ze maakt een kruik, legt die aan het voeteneinde. Ze doet mijn deken af, mijn natte pyjama uit en trekt me snel een schone pyjama aan. Die is warm. Ze heeft hem op de kachel gelegd, dat weet ik zeker. De kachel thuis, niet op dit schip. Maar dit is mijn bed, nu weet ik het weer. Geen schip, mijn eigen bed. Mijn moeder pakt me op en legt me tussen de nog ijskoude, stijve lakens Ik ruik hoe schoon ze zijn. Ze ruiken naar maandag, naar zeepsop en stijfsel. Ze legt de kruik in mijn rug. Het plekje voor mijn voeten is al warm. Ze laat mij drinken. Mijn tanden klapperen tegen het glas. Er loopt water langs mijn kin. Ze drukt een kus op mijn voorhoofd. 'Ga maar lekker slapen. Dan ben je gauw weer beter. Ik ben vlakbij. Je hoeft niet bang te zijn.'
Ik ben niet bang. Door mijn wimpers zie ik de flessen op de vensterbank met rode en bruine drankjes, de bolle lepel ernaast. Het lijken grote edelstenen als het licht er door schijnt. De rode drank is bitter. Spoken vliegen door het poppenhuis aan het voeteneinde van mijn bed. Ze dansen van de ene kamer naar de andere, gaan nooit op de stoeltjes zitten. Ik zie de meubeltjes door ze heen schijnen. Ik ben een beetje bang van ze. Ik kijk maar niet. Misschien gaan ze dan wel weg. Of misschien dansen ze het poppenhuis uit, mijn bed op, naar me toe, om me heen. Het zweet breekt me uit. Ik wil schreeuwen. Dan hoor ik het gefluit van een merel, heel vrolijk. Het is prachtig. Ik blijf stil liggen, luister, doe mijn ogen weer helemaal open. De merel vliegt door mijn kamertje. Ik ben verbaasd, kijk naar de waterverftekening aan de muur, de tekening van mijn vader. Uit het nest steken kleine snaveltjes omhoog. Het is een gepiep van jewelste. Moeder merel is verdwenen. Daar komt ze, langs het plafond. Ze gaat op de ombouw van mijn opklapbed zitten, zet zich dan af en vliegt naar het nest, een dikke regenworm in haar snavel. Ik wist wel dat ze echt was, maar nu zie ik het pas. Nu ze denkt dat ik slaap natuurlijk. Of omdat ze niet kon wachten, want ik lig hier maar, ook overdag, al heel lang denk ik. Precies weet ik het niet.
'Ach meis.' De dokter zit op het randje van mijn bed. Het bed is nog altijd raar lang. Mijn moeder staat in de deuropening. Hij heeft vriendelijke ogen, onze dokter. Hij knoopt mijn pyjamajasje los, warmt zijn stethoscoop in zijn handen, zet die dan op mijn ribbenkast. Ik moet zuchten. Zuchten doet pijn. Ik zucht niet diep genoeg. Mijn moeder knoopt mijn pyjama weer dicht.
Het is donker. Een hele troep meeuwen vliegt krijsend door mijn kamer. Ze vallen de merel aan, pikken naar de jongen, naar mijn haar. Ik sla mijn handen om mijn hoofd, duik weg onder de dekens. Ik gil. Mijn moeder staat naast me. Ze doet een nachtlampje aan. Geeft me water en een slok van het bittere drankje. Ik kokhals, mag niet spugen.

Als ik weer wakker word, is het licht. De merel zit stil op haar plek, in de waterverftekening aan de muur. Mijn bed is niet lang meer. De spookjes in het poppenhuis zijn verdwenen. Slapen ze? Mijn moeder legt haar hand op mijn voorhoofd. De dokter voelt mijn pols. Opgelucht kijken ze elkaar aan. 'Het gaat de goede kant op,' hoor ik ze zeggen voor ik weer in slaap val. 'We hebben het ergste gehad.'