'Het kwam allemaal door een pastei.'
'Hoe bedoelt u?' zei de man op
de stoel naast hem. Hij tekende een dampende vleespastei op zijn blocnote, zo
één met een deegdeksel met kleine gaatjes waaruit stoom ontsnapt. Hij rook de
geurige dampen, proefde de pastei. Het water liep hem in de mond. Het was ver
na etenstijd, en hij had trek. Zoals gewoonlijk was zijn spreekuur weer eens
uitgelopen. Het was hem nooit gelukt zijn consulten tot een half uur of een uur
te beperken. Als een patiënt midden in zijn verhaal zat, kon hij hem moeilijk
afbreken. Slecht voor de patiënt, hield hij zichzelf voor. In feite was hij
dikwijls zo gefascineerd door de verhalen van sommige van zijn patiënten, dat
hij ze niet midden in hun soms verwarde of dromerige relaas wilde onderbreken
'Eigenlijk moet ik bij het
begin beginnen, anders snapt u het niet,' zei de man op de sofa naast hem.
De arts zei niets, speelde wat
met zijn pen. De patiënt vatte dit op als toestemming of aanmoediging, en begon
met zachte stem, enigszins aarzelend, aan zijn relaas.
'U moet begrijpen, dokter, dat
ik zielsveel van mijn vrouw houd. Of moet ik zeggen, heb gehouden? Het was
liefde op het eerste gezicht.'
De arts tekende in een paar
snelle streken een staand paar dat elkaar omarmt, en face, met drie hartjes die
tussen het paar in opstijgen, zoals je wel op Valentijnskaarten ziet. Zijn
secretaresse was verbaasd over de wonderlijke dossiers van haar baas. In haar
vorige baan had ze lange vellen droge tekst moeten uittypen, met onbegrijpelijke
beschrijvingen van patiënten en hun problemen, fantasieën en waanideeën. Wat
dat betreft maakte haar baas het haar gemakkelijk. Van hem kreeg ze vellen
papier vol tekeningen, waarmee ze niets hoefde te doen dan ze achter de naam
van de juiste patiënt chronologisch te archiveren. Het leken rebussen, waar ze
kop nog staart aan kon ontdekken.
'Ik ben visueel ingesteld,' had
haar baas haar eens uitgelegd, 'In één oogopslag zie ik zo het hele beeld van
mijn patiënt weer voor me, beter dan met wat voor tekst ook.'
Hij was een verwoed
amateurschilder, en de wachtkamer hing vol felgekleurde, vrolijke schilderijen
van zijn hand, waar zij zuidelijke landschappen in herkende, gestoffeerd met
uitnodigende huizen, planten en vogels. Als patiënt zou een bezoek aan de
wachtkamer al voldoende moeten zijn om op te vrolijken en hernieuwde levensmoed
te krijgen.
'Ik zat in een café,' ging zijn
patiënt verder, 'U weet wel, zo'n klein dorpscafé, toen ze plotseling
binnenkwam. Iedereen keek naar haar. Ze straalde iets uit, ja, hoe moet ik dat
zeggen, iets ontroerends. Ze was blond, met kleine zachte krulletjes, had een
porseleinen huid, blauwe ogen die vrolijk om zich heen keken.'
'Zocht ze iemand, denkt u?'
vroeg de arts.
'Ik weet het niet. Ik weet wel
dat ik haar toen vond. Ze liep wat aarzelend naar de bar. Ik stond meteen op,
vroeg of ze op iemand wachtte en of ik haar iets mocht aanbieden. Ze
accepteerde mijn aanbod, en ging bij mij aan het tafeltje zitten.'
Hij stopte even. De arts had
het niet meteen in de gaten. Hij liet zijn gedachten de vrije loop tijdens de
monologen van zijn patiënten. Hoewel inleidingen belangrijk waren om patiënten
op gang te helpen, waren ze zelden interessant. Hij dacht aan espresso, pils,
champagne, en tekende een glas wijn naast de dampende pastei.
'Zo is het gekomen, dokter,'
zei de man.
'Zo is het gekomen?'
'Zo is het begonnen, ons
huwelijk, ons geluk, tenminste, aanvankelijk.'
Altijd dat
"tenminste", dacht de arts. Daarom lagen ze op zijn divan, om dat
"tenminste". Niemand scheen te beseffen of te aanvaarden dat niets
volmaakt kon zijn, althans zijn patiënten niet.
'Gaat u verder,' zei hij op
bemoedigende toon. Veel aanmoediging had zijn patiënt niet nodig.
'Dokter, u weet niet hoe
fantastisch ze was, hoe ze me ontroerde. U moet weten, ik ben gek op vogels. U
toch ook?'
'Hoezo?' de dokter keek verrast
op.
'Uw schilderijen, u schildert
vogels,' zei de patiënt.
'O, u hebt dat opgemerkt. Ze
zijn slechts stoffering, stoffering van het landschap. Ik ben dol op
landschappen. Maar gaat u verder,' onderbrak hij zichzelf.
'We raakten aan de praat en nou
ja, om kort te gaan, zo begon het. Binnen twee weken woonden we samen, en
binnen een maand waren we getrouwd.'
'Vogels, u noemde vogels,' zei
de arts.
'O ja. Weet u, als ik haar in
mijn armen nam, mijn hand in haar nek, deed ze me aan een tere vogel denken.
Haar broze botten, haar fijn besneden gezicht, en haar haar, net vogeldons als
ik haar tegen de haren in streelde, van nek tot kruin. Donsveertjes, dat waren
het.'
De dokter tekende een
liefdespaar met monden als vogelsnavels en jukbeenderen die op vogelkoppen
leken. De vrouw teer en aandoenlijk, de man gaf hij instinctmatig de trekken
van een roofvogel.
'We waren een stel
tortelduiven, konden niet genoeg van elkaar krijgen. Ik noemde haar
"duifje". Zo was ze ook, een zacht, koerend liefdesduifje.'
'Gaat u verder,' zei de arts
terwijl hij zijn tekening wat bijwerkte.
'Toen ze jarig was, leek het me
wel leuk een passend cadeau te geven, iets origineels, speciaal voor haar. En
opeens wist ik het, een duif, wat was passender dan een duif. Ik kocht de
mooiste die ik vinden kon, een sneeuwwitte met een staart die hij uitspreidde
en tentoonstelde als een pauw, pronkend en onderdrukt koerend, met een krop als
een sordino.'
'Anna – zo heette mijn eigen
lief, mijn duifje – Anna was verrukt. Ze kon haar ogen niet van de vogel
afhouden, vertroetelde hem en probeerde zijn gekoer te imiteren. Ze smeekte me
om een tweede duif. "Zo zielig, één alleen, vind je ook niet?" zei
ze. Ik kon haar niets weigeren. We kochten een tweede, en ik timmerde een
grotere kooi voor in de tuin. En dat was het begin van alle ellende.'
'Ellende?' vroeg de arts.
'Ja, ellende. Ze had alleen nog
maar oog voor de duiven, niet meer voor mij. Haar vingers die eens mijn lichaam
streelden als waren het tovenaarsstokjes, streelden nu alleen nog maar de witte
duivenveren. Ze kocht boeken over duiven, ging naar lezingen, werd helemaal
gefascineerd door die vogels.'
'Kon u er niet over praten?'
vroeg de arts.
'Dat probeerde ik, maar ze zei
dat ik me aanstelde, dat het geen kwaad kon. Het was een hobby.
"Anton", zei ze, "je wilt niet dat ik een baan zoek, en we
hebben geen kinderen, ik moet toch wat. Waarom ben je jaloers op een hobby? Mag
ik geen hobby hebben?" Ik kon er niet veel tegenin brengen.
Op een dag kwam ik 's avonds
uit mijn werk thuis en zag tot mijn verbijstering dat timmerlieden boven op het
dak van mijn huis een grote kooi aan het timmeren waren. U moet weten dat we in
een chique buurt wonen – ik ben niet onbemiddeld – dus u kunt zich voorstellen
dat ik ontsteld was. Toen ik Anna vroeg wat dat te betekenen had, zei ze
doodleuk:
"Ik ga duiven houden,
postduiven en andere duiven. Ik word duivenmelkster."
"Maar lieve Anna, mijn
duifje, dat kan niet zomaar. Alleen mensen in volksbuurten houden duiven. Dit
is een prachtige wijk en een mooi huis. Met zo'n kooi bederf je het hele zicht.
Ik vraag me af of de schoonheidscommissie hier toestemming voor geeft."
"Je kunt niets zien van de
straatkant," zei Anna gedecideerd.
"Maar Anna, de buren, wat
zullen de buren zeggen. En weet je wel wat voor troep duiven maken, en het
lawaai!"
"Maak je geen zorgen, ik
zorg voor ze. Het is mijn hobby."
Wat ik ook zei. Anna was niet
te vermurwen. Ik brak de kooi eigenhandig af. Toen ik twee weken later van een
zakenreis terug kwam, had ze een nieuwe kooi laten bouwen die bovendien al
bevolkt was door een bonte verzameling duiven. Wat kon ik doen?'
'Hoe voelde u zich?' vroeg de
arts.
'Moet u dat vragen? Bedrogen,
dat kunt u zich voorstellen, bedrogen. Mijn lieve Anna, die zich niets meer van
me aantrok en haar tijd alleen nog met haar duiven deelde. Een sport voor
arbeiders als je het mij vraagt. Ik schaamde me, ja dat ook, ik schaamde me dat
mijn frêle vrouw zoiets deed. En de buren begonnen te klagen.'
'De buren?' vroeg de arts. Hij
tekende een huis met daarvoor een groep mensen met gebalde, opgeheven vuisten
en rode, boze koppen. Vogels vlogen op boven het huis en er zaten vogels te
pronken op de daklijst.
'Ja, de buren. Hebt U ooit wel
eens een paartje duiven in uw tuin gehad, een broedend paar?' Hij wachtte de
reactie van de arts niet af, 'De stank, de vuiligheid, poep, ongedierte, het is
vreselijk.'
De arts tekende een vervuild
balkon met in een hoek een rommelig duivennest. Inhoud: één dood duivenjong,
één levend exemplaar, veel uitwerpselen, en veel krioelend ongedierte. Hij
herinnerde zich de stank van het nest dat hij ooit eens had aangetroffen op het
balkon van zijn studentenflat toen hij terug kwam van een lange buitenlandse
studiereis.
'Gaat u verder,' zei hij uitnodigend.
'De buren klaagden over poep in
de tuin en op de kozijnen, over een weeë stank, strootjes en nestmateriaal dat
de duiven aanvoerden maar voortijdig lieten vallen. En dan het gekoer.'
'Houdt u daar niet van?' vroeg
de arts.
'Ach, één duif gaat nog wel.
Hebt u wel eens gelet op dat monotone gekoer van een duif? Als je er eenmaal op
gaat letten, word je er gek van. En dan twintig duiven, of zoiets. Ook ik werd
er stapelgek van. Maar wat kon ik er aan doen? Hoe ik mijn vrouw ook op andere
gedachten probeerde te brengen, vleiend, lief, boos of dreigend, ze hield voet
bij stuk. Langzamerhand leek ze zelf wel een duif. Ze rook in ieder geval net
zo, en er kwam nauwelijks nog een zinnig woord over haar lippen.'
'Wat deed u vervolgens?' vroeg
de arts. Hij probeerde wat schot in het relaas te krijgen. Zij maag begon nu
wel erg te knorren en het verhaal was nog steeds niet bijster interessant. In
ieder geval niet goed genoeg voor een nieuwe tekening, behalve wat doedels en
nietszeggende kringels.
'Ja, en toen had ik geluk.'
'Geluk?'
'Ziet u, haar moeder kreeg een
ernstig ongeluk en Anna moest spoorslags naar haar toe. Ze smeekte me goed voor
haar duiven te zorgen en gaf me een waslijst aan instructies, plus een lijst
van contacten die ik maar moest bellen als ik het niet meer zag zitten. Het
waren medeliefhebbers, "duifgenoten" als ik het zo mag zeggen. Er
kwamen en wel eens wat langs, minne, schlemiele mannetjes vond ik.'
'Discrimineert u nu niet?' zei
de arts, terwijl hij snel een schlemiel met opgestroopte hemdsmouwen en los
boord tekende, duif op de hand.
'Nee hoor, ik mocht ze niet.
Maar wat wilde ik ook al weer zeggen?'
'Neemt u gerust de tijd, meneer
Anton,' zei de arts niet geheel eerlijk.
'O ja. Nu, ik zag mijn kans
schoon. Op een nacht stormde het vreselijk. Ik heb toen expres het hok open
gezet, in de hoop dat alle duiven zouden ontsnappen, wegwaaien, en de weg terug
niet zouden kunnen vinden. Helaas, ik had er niet aan gedacht dat duiven
honkvast zijn - of moet ik "hokvast" zeggen? De volgende dag bleken
er maar twee dooien te zijn, dood gebeten door de rode buurkater. Ik heb ze
begraven. Toen ik het hok in kwam, vlogen de duiven op me af. Ze gingen op mijn
hoofd zitten, op mijn schouders, scheten op mijn maatpak. Stom, ik was vergeten
Anna's stofjas aan te trekken. Ziet u mij in een stofjas? Nou ja, razend werd
ik, echt razend. De brutaliteit, de stank, dat gekoer waar ik horendol van
werd, de maat was vol, ik kon me niet meer beheersen.'
De arts zat nu verrukt te
tekenen: met enkele streken stond heer-in-maatpak in duivenhok, poepende vogels
op hoofd en schouders, bijtend venijn dat onherstelbare vlekken nalaat in
kleding.
'Ik heb ze één voor één de nek
omgedraaid.'
Verschrikt keek de arts op.
'Wat zei u?'
'Ik heb ze de nek omgedraaid,
allemaal, één voor één. En weet u, dokter, ze vlogen niet eens weg. En het
gevoel dat me dat gaf, dat moorden, een gevoel van intense opwinding. Ik had
macht. Ik besliste over leven en dood. Bij elk zacht vogelnekje dat ik hoorde
knappen, dacht ik aan Anna's nek. Zou die ook zo knappen?'
De arts moest een gevoel van
misselijkheid onderdrukken. Zijn pen bleef even zweven boven het papier. Daarna
zette hij in snelle bewegingen de duivenmoordenaar neer, duif in hand, duif met
Anna's gelaatstrekken, de trekken van de Anna uit zijn verbeelding. Hij
huiverde.
'Bij iedere duif doodde ik
Anna, mijn duifje, mijn liefje. En waarom, dokter, waarom?'
'Hebt u zelf een idee?'
pareerde de arts.
'Nee, nee. Waar was ik
gebleven. O ja, Anna zou de volgende dag thuis komen. Het ging beter met haar
moeder. Ik ruimde de rommel op, maakte het hok schoon, liet de deur open staan,
maakte alles in orde. Die dag bakte ik een overheerlijke pastei om Anna te
verrassen. Ik ben een uitstekend kok, ziet u, al zeg ik het zelf. U zou mijn
verzameling koksmessen eens moeten zien, Sabatier, allemaal, het beste van het
beste. Anna en ik vlogen elkaar in de armen. We waren nog nooit zo lang van
elkaar gescheiden geweest, en de afstand had haar verlangen naar mij weer
aangewakkerd.
"Hoe is het met mijn
duifjes?" vroeg ze.
"Straks, duifje, eerst
eten, alles is klaar."
Ze genoot. De pastei was
voortreffelijk, en ze overlaadde me met complimenten.
"Hoe heb je die klaar
gemaakt?" vroeg ze, "En wat zit er in, ik heb nog nooit zoiets
verrukkelijks gegeten."
"Wil je het echt
weten?" vroeg ik?
Ze drong aan en ik verklapte
het recept. Anna trok lijkbleek weg, sloeg haar hand voor de mond, rende naar
de wc waar ik haar herhaaldelijk hoorde overgeven, afgewisseld met gierende
uithalen. Toen ze wat bijgekomen was en de gang in kwam, keek ze me aan met
ogen vol haat, veegde met de rug van haar hand haar mond af en rende stommelend
de trap op naar boven, naar haar duiven. Daar gilde ze het uit, roffelde de
trap weer af, struikelde en viel bonkend naar beneden. Onder aan de trap bleef
ze doodstil liggen, in een vreemde houding, als een vogel die de kop tussen de
veren trekt. Een arts constateerde dat haar nek gebroken was.
Ik was er kapot van. Ik had
haar zo verwend. Hoe kon dat nou? En dokter, sindsdien heb ik dromen, angstdromen,
nachtmerries.'
'Beschrijft u eens zo'n droom,'
zei de arts.
'Het is altijd dezelfde droom.
Ik breek Anna's nek, met mijn blote handen, en word wakker als ik het gekraak
van haar botten hoor, badend in het zweet.'
De arts slikte even. Hij legde
de laatste hand aan de kop van een roofvogel, met de trekken van meneer Anton.
Daarna keek hij op en vroeg,
'Wat zat er in de pastei?'
'Het was een Victoriaans
recept, heel rijk gevuld. Ik ben een echte bourgondiër.'
Wat zat er in de pastei,' vroeg
de arts nogmaals.
'O, heb ik dat niet gezegd? Het
was een duivenpastei.'
De arts keek zijn patiënt met
afschuw aan.
'Een uitstekende kwaliteit, van
de poelier, een speciale aanbieding,'
