Merkwaardig hoe het
landschap abrupt verandert in dit zo grote land, het middenwesten van de
Verenigde Staten. Elise heeft 's morgens na haar vertrek uit het motel uren
door een onontgonnen gebied gereden, dat ze hier "wilderness" noemen,
een term waar ze zich vroeger iets heel anders bij had voorgesteld: lianen,
ondoordringbaar oerwoud, geen wegen of paden, wilde dieren. Een vaag beeld en
zo totaal anders dan dit landschap. De "wilderness" hier is een
aaneenschakeling van moerassen, meren, dode berken en espen, onderbegroeiing in
fel rode herfstkleuren, bomen met saffraangeel blad die lichtgevend afsteken
tegen de kleine, donkere dennen. De begroeiing is schaars en er is veel licht.
Niet zoals de donkere wouden uit de sprookjes van de gebroeders Grimm. Hier
geen diep zwarte aarde, maar kale rotsen, met daartussen wat onvruchtbare grond.
De grijze rotsplateaus zijn prachtig dooraderd, wit en roze wisselen elkaar af
in fascinerende patronen. Hier en daar wat ingestorte en verlaten schuren, de
vervlogen dromen van pioniers die eens hoopten dit land in cultuur te kunnen
brengen. Er schijnen hier beren te zijn, maar helaas heeft Elise tot nu toe
alleen watervlugge gestreepte grondeekhoorns, witte en zwarte eekhoorns, herten
en reeën gezien. De weg leek uren door te rollen, zonder onderbreking van een
dorp of nederzetting, in eindeloze herhaling. Alsof ze rijdt op een rolband die
de andere richting uitloopt, bijna een nachtmerrie.
En dan ineens licht glooiend, en
uiteindelijk vrijwel plat bouwland, dat zich mijlenver uitstrekt. Verdorde maïs,
stoppelvelden waar het graan blijkbaar al geoogst is, maar nog altijd geen
bebouwing. Volgens de kaart moeten hier wel wat dorpen liggen, maar ze heeft
ontdekt dat de schaal van de kaarten bedrieglijk is en de afstanden veel groter
dan ze verwacht. Na uren is ze eindelijk een plaats binnen gereden, zoals
altijd op een kruispunt van wegen. Drie huizen, een dichtgespijkerd hotel met
idem bar, een kerkje, elk gehucht wordt hier "town" genoemd. Hoe
klein of vervallen ook, de meeste "towns" hebben wel een café waar je
"bodemloze" koffie kunt krijgen, water en een sandwich. En een
praatje. Elise hoeft haar mond maar open te doen, of men vraagt waar ze vandaan
komt, wat ze in deze stad, waar niets te beleven valt, komt doen en waar ze
naar op weg is. Misschien is het niet alleen haar tongval, maar ook haar
kleding. Of misschien kent iedereen hier iedereen en valt elke toevallige
passant op. Vriendelijk zijn ze allemaal, vrijwel zonder uitzondering, de
serveersters en restaurant eigenaars, alle mensen die een praatje met haar
aanknopen. Het is geen enkel probleem om als vrouw alleen door dit immens grote
land te reizen. Ze is wel voorzichtig waar ze logeert. Bij voorkeur niet in de
klassieke motels, rijen kamers met alleen een deur naar buiten. Het geeft haar
een onveilig gevoel. Trouwens, er zijn weinig van die motels over. Ze herinnert
zich dat minstens twintig jaar terug, toen ze met iemand samen reisde, elke
plaats zo'n motel had. Nu zijn ze vrijwel overal dichtgespijkerd, staan te koop
of zijn vervallen, de verf afgebladderd. Grote motelketens, te vinden langs
alle hoofdwegen, hebben het overgenomen. Het betekent dat ze moet zorgen dat ze
tegen de avond van de binnenwegen af is en een plaats aan een hoofdweg moet
opzoeken.
Vanochtend is ze begonnen op een binnenweg, eentje die parallel loopt aan
een hoofdweg en waarschijnlijk vroeger de hoofdweg was. Hieraan liggen de
dorpen – als er tenminste bebouwing is -, de boerderijen met hun enorme schuren,
roodgeverfd, en oude graansilo's. Bovendien ontelbare kleine kerkjes. Soms
lijkt het of een plaats meer kerken heeft dan huizen. Ze staan langs de weg,
dikwijls twee of drie niet ver van elkaar af, voor elk van de verschillende
denominaties een eigen kerkje. De witte houten torens wijzen naar de wijde
hemel. Van sommigen is de verf afgebladderd, anderen zien er goed onderhouden
uit.
Aan de namen te zien rijdt ze door een
oorspronkelijk Duits gebied. Opvallend hoe immigranten hun eigen volksgenoten
opzochten, blijkbaar bij elkaar steun zochten in het onbekende land. Alle grote
Duitse plaatsnamen komen voorbij. Het landschap is hier lieflijker, zacht
glooiend, en meer in cultuur gebracht. Fel oranje pompoenen worden langs de weg
aangeboden op houten karren of kramen. Halloween nadert, hier bijna even
belangrijk als Kerst.
Op een kruispunt van twee wegen stopt
Elise. Rond een wit houten huis met veranda, liggen ook weer gele en oranje
pompoenen en kalebassen opgestapeld. Oude wagenwielen complementeren het
schilderachtige tafereel. Elise parkeert de auto en stapt uit om foto's te
nemen. Achter het huis is een klein tuincentrum, of meer een grote bloemen- en
plantenwinkel. Bakken met herfstchrysanten in gele en roestige tinten staan
buiten. Het huis, waaraan de vrolijk wapperende "stars en stripes"
niet ontbreekt, blijkt een cadeau winkel. Nieuwsgierig gaat Elise naar binnen.
Souvenirs, huisvlijt, gebreide en genaaide cadeaus zoals warme sokken, wanten,
mutsen en sjaals, zeep, geurtjes, het ligt door elkaar uitgestald. Er is
niemand in de winkel. Bij een doos met een gleuf staat een bordje met het
verzoek bij afwezigheid van personeel eventuele aankopen af te rekenen in het
tuincentrum, of gepast geld in de doos te deponeren. Een stadje waar je
blijkbaar niet alleen de achterdeur van je huis open kunt laten, maar ook je
winkel vol nering onbeheerd kunt laten. Elise vindt niets van haar gading.
Als ze weer buiten staat, ziet ze een
bord dat richting Hamburg wijst. Dat wil ze wel eens zien, een broertje van die
grote stad. Nieuwsgierig volgt ze de pijl en slaat de dwarsweg in. Na slechts
een paar kilometer rijden, parkeert ze de auto tegenover een merkwaardige
beeldengroep langs de weg. Voor de beelden een klein bloemperk, waar een man
bezig is met het begieten van de plantjes. De beelden lichten op in het schrale
herfstzonnetje. De man die de plantjes verzorgt, kijkt stug voor zich uit en
zegt niets als ze naar de beeldengroep loopt om die van dichtbij te bekijken.
De vier levensgrote en levensechte beelden, zijn blijkbaar nieuw gezien de datum op het kleine bord dat ook vermeldt dat de groep een hommage is aan de
openbare diensten en dat het een brandweerman,verpleger, politieagent en soldaat
voor stelt. Wie zou dit bedacht en betaald hebben? Hoeveel mensen behalve de
inwoners van deze afgelegen nederzetting zullen hier langs komen? Vragen die ze
niet durft te stellen aan de zwijgzame man die haar volkomen negeert, alsof hij
ook blind is. De beelden staan met de rug naar het weidse uitzicht over het
land, en kijken uit op een prachtig houten huis naast het terrein waar ze haar
auto heeft geparkeerd. Wat zou ze graag in zo'n huis wonen, met een veranda
rondom, op de hoek uitgebouwd als een soort muziekkoepel of theekoepel. Op de
veranda een tafel en tuinstoelen. Het uitzicht vandaar moet geweldig zijn.
Als ze terug loopt naar haar auto, komt
er een man op haar af.
'Hallo! Alleen? Ik zag het nummerbord
van je auto. Je bent ver van huis. Waar kom je vandaan?'
Elise aarzelt. Moet ze alles
vertellen? 'Europa,' zegt ze.
'Ah, huurauto. Wat zoek je hier?'
'Ach, gewoon een rondreis.'
'Alleen?'
'Waarom niet? Als ik moet wachten op
gezelschap....'
'Zo moeilijk is dat toch niet?'
'Wat een vreemde beeldengroep,' zegt
Elise om de conversatie een andere richting uit te sturen.
'O die, iemand vond dat de openbare
diensten in het zonnetje gezet moesten worden...'
Elise kijkt naar de beelden die
blikkeren in de zon. De man geeft geen verdere informatie.
'Ik ga maar weer eens verder,' zegt ze
na een korte stilte en draait zich om naar de auto. 'Sta ik op uw terrein?'
'Je bent vrij om te parkeren waar je
wilt. Ik woon daar.' Hij wijst naar het witte houten huis met de veranda dat ze
heeft staan bewonderen.
'Ik hoop niet dat u het erg vindt dat
ik er foto's van heb gemaakt. Ik ben gek op dat soort huizen. Hebt u het zelf
versierd?' Ze wijst op de skeletten en
spookfiguren die van het dak van de veranda bungelen, en de pompoenen die langs
de veranda liggen.
'Mijn dochter, voor als de
kleinkinderen komen. Mijn vrouw deed dat altijd. Ze is pas overleden. Voor elk
feest versierde ze het huis uitbundig. Nu doet mijn dochter het.'
'Oh, sorry.'
Hij kijkt haar vrolijk aan. 'Bouwen ze
dat soort huizen niet in Europa? Waar in Europa eigenlijk? Dat heb je nog niet verteld.
Europa is groot.'
'Nederland.'
'Mijn vrouw was Française.'
Elise kijkt van
opzij naar hem. Hij heeft ruwe handen, een stoppelige baard. Niet iemand waar ze
een Française bij zou denken.
'Je kunt ook gerust hier blijven hoor.
Geen bezwaar.'
'Ik moet verder.'
'Nu al? Haast? Kom, ik wil je mijn
hobby laten zien.' Hij wacht haar antwoord niet af, pakt haar bij haar elleboog
en leidt haar naar een grote schuur. Er gaat een rilling door Elise heen als
hij de sleutel omdraait in het stevige slot. Zijn ontvoeringszaken,
verkrachtingen, ja zelfs moord, ook niet zo begonnen, zo onschuldig? Zoals in
dat boek van Emma D., die Engelse schrijfster, waar ze beschrijft hoe een vrouw
jarenlang wordt vastgehouden in een ondergrondse ruimte. Meegelokt door een man
die haar vroeg even te komen kijken omdat
hij een zieke hond achterin zijn bestelbusje had liggen. Of die Belgische
meisjes, en die studentes in Engeland, dat Oostenrijkse meisje dat zo jarenlang
is vastgehouden. Een hobbyschuur. Wie weet dat ze hier is? Stel je niet aan,
spreekt Elise zichzelf toe. Belachelijk. je bent niet mooi en niet jong. Denk
je nou heus...? Bovendien, dit is een land van open winkels, met een
"honesty box". Wat kan er misgaan? Idioot. Ze moet zich niet zo
aanstellen.
De man legt zijn hand in haar rug en
leidt haar naar binnen. 'Hier, kom.' Een weeïge lucht komt haar tegemoet, muf,
benauwd, het prikkelt de slijmvliezen. Voor zich ziet Elise rijen hokken en
kooien, in ieder hok een of twee konijnen. Niet zomaar konijnen die je bij tientallen
in de duinen aantreft, of de Vlaamse reuzen en hangoorkonijnen uit de
dierenwinkel, nee, kleine, grote, gevlekte als een panter of als een lapjeskat,
geblokte, grijze, witte, bruine, ze zijn allemaal anders.
'Konijnen,' zegt de man
triomfantelijk, 'Prijskonijnen.' Hij opent een hok, pakt er een konijn uit,
drukt kop en kont met zijn grote handen naar elkaar toe zodat de rug zich kromt en streelt de vacht van het
diertje tegen de haren in.
'Hier, voel!' Hij pakt haar hand. Zijn
hand is hard en eeltig. 'Voel! Fluweel, vind je niet? Kortharig.' Ze heeft een
beetje medelijden met het konijn, maar het schijnt nergens onder te lijden.
'Ik win wedstrijden. Kijk, mijn
prijzen, daar, bovenop de hokken.' Hij wijst naar een stel kleurrijke
ornamenten, paaltjes op sokkel, in neon en gouden tinten. Het zijn er heel wat.
'Waar let men op bij zo'n wedstrijd,
wat is belangrijk?'
'De vacht, de glans, de kleurpatronen.
Eigenlijk heel veel.' Hij opent een van de kooien, graait in een nest met nog
blinde jongen. 'Je kunt de vacht nog niet zien. Hier, pak maar!' Het halfblinde
jong verdwijnt bijna in haar toch kleine hand.
'Kom, ik heb nog een ander nest.' Hij
zet het jong terug, sluit het deurtje en loopt naar een ander hok in een verre
hoek. Het stinkt. Elise kan alleen maar denken dat ze hier weg wil, de
buitenlucht in. De man gaat dicht tegen haar aan staan - er is niet veel ruimte
in de hoek - , opent het deurtje en haalt een heel nest te voorschijn met wel
acht jongen. Twee zijn er pikzwart, een totaal andere kleur dan de rest van het
nest.
'Wat doet u daarmee? Zijn dat ook
prijskonijnen?'
'Nee, die zijn niet goed van kleur. Ik
geef ze aan de dierenwinkel, of aan kinderen als troeteldier.'
'Hoe lang doet u dit al?'
'Tja, weet ik niet precies. Mijn
dochter vond een konijn, toen ze klein was. Jaren geleden dus. Ik heb een hok
gemaakt. Ze vond het zielig dat het beestje alleen was, en daarom haalden we
een tweede konijn bij de dierenwinkel. En toen hadden we opeens een nest en zo
is het begonnen.'
'Hier zitten ze apart. Hoe vaak hebben
ze een nest?'
'Niet meer dan twee keer per jaar. Dat
is beter voor ze. Ik regel het. Kijk.'
Elise bijt op haar lip. Stom. Wat
heeft ze gezegd. Konijnen fokken. De man weet er alles van. Van fokken. Dieren,
mensen, niet veel verschil. Waarom is ze daar nu weer over begonnen? Ondertussen
heeft de man het nest teruggelegd en voert hij Elise naar weer een andere hoek.
Tegen de muur een whiteboard met daarop voor Elise onbegrijpelijke
aantekeningen.
'Elk konijn staat hier op. Met wie en
wanneer een konijn gepaard heeft, hoeveel jongen ze heeft geworpen enz. Het is
een hele administratie'
'Hoeveel konijnen hebt u?'
'Zo'n tweehonderd, schat ik. Het
varieert. Een dure hobby.'
'Het houdt u van de straat,' zegt
Elise om het gevoel van onbehagen wat weg te praten. Hij lacht, pakt een van zijn
trofeeën op.
'Ooit een trofee gewonnen? Zo'n mooie
vrouw als jij verdient een trofee!'
Elise kijkt verschrikt op. Tegelijkertijd
schaamt ze zich, dat ze hem wantrouwt. Want waarom eigenlijk? Ze lacht wat
stijfjes en loopt naar de deur.
'Dank
u wel. Maar ik moet nu echt verder.'
'Kom, ik heb nog een hobby.' Als de
man de twee deuren weer zorgvuldig heeft gesloten, neemt hij Elise mee naar een
caravan, achter zijn konijnenschuur. Ze is nu uit het zicht verdwenen. De man
staat ook wel erg dicht tegen haar aan. En het is hier behoorlijk afgelegen. Al
die tijd heeft ze geen auto voorbij horen komen, geen mens langs zien lopen. De
man die de bloemen bij de beeldengroep besproeide, is verdwenen. De tuinslang
ligt opgerold naast het bloemperk. Haar gastheer – of cipier? – zoekt een
sleutel. De caravan blinkt. Aluminium? Een ijzeren gevangenis? Tot haar
opluchting kan hij de sleutel niet vinden.
'Ligt zeker binnen.' mompelt de man na enig
zoeken in zijn zakken. Hij keert zich naar Elise: 'IJsvissen. Ik doe aan
ijsvissen. De caravan is daar helemaal voor uitgerust. Heel knus, met
verwarming en alles. Jammer, ik heb de sleutel niet hier.' Hij zoekt nog een
poosje, kijkt in de schuur, maar geeft het op. Toch laat hij haar niet gaan,
want als Elise richting auto loopt zegt hij: 'Je hebt het huis van binnen nog
niet gezien.' Hij stuurt haar de andere kant op. Ze aarzelt. 'Je vond het huis
toch zo mooi? Je moet het van binnen zien.'
Ze heeft het huis inderdaad van alle
kanten gefotografeerd en is best nieuwsgierig hoe het er van binnen uitziet.
Dus geeft ze zich gewonnen en loopt mee. Ze gaan de trap van de veranda op en
door de eetkamerdeur naar binnen. Het huis is klein, met prachtig glanzend
houten vloeren. De zitkamer biedt een schitterend uitzicht, over de weg heen, op
het ruime land er tegenover. Het ziet er allemaal verzorgd uit. Houdt hij dat
allemaal zelf zo schoon, of doet zijn dochter dat? Ze zal het nooit weten. De
grote houten eettafel met de zes stoelen is uitnodigend. Gelukkig biedt hij haar
niet aan mee te lopen naar boven, maar leidt hij haar naar buiten, naar het
"deck" voor de eetkamer, en naar de veranda om het huis.
'Is die veranda oorspronkelijk?' vraagt Elise als ze in het theekoepel gedeelte
zijn.
'Heb ik een paar jaar geleden zelf
aangebouwd. Ga zitten.' Uitnodigend wijst hij naar de stoelen, waarvan de
kussens vanwege het seizoen al opgeborgen zijn.
'Maar ik moet nu echt gaan.'
'Heb je haast? Je kunt hier wel blijven,'
zegt hij.'Wonen, bedoel ik.'
'Ik woon in Europa.'
'Geeft toch niks! Zomers hier, 's
winters daar. Is niks op tegen.'
Elise glimlacht wat schaapachtig, bedankt de
man vriendelijk en loopt opgelucht naar de auto. Als ze het portier opent,
roept hij haar na:
No comments:
Post a Comment