Paars en geel vloeien in
elkaar over, als grote vlekken. In het midden lossen ze op, verdwijnen in een
punt, als in het putje van het bad. Het is een beetje als bij mijn kartonnen
kaleidoscoop, die ik rond moet draaien. Maar mijn kaleidoscoop heeft een
heleboel felle kleuren, en dit is alleen paars en geel, geel en paars. Ik wil
nooit meer paars en geel. Behalve krokusjes, die mogen paars en geel zijn. Die
zijn mooi, veranderen niet van kleur, blijven staan, verdwijnen niet als je ze
wilt pakken, er naar kijkt. Als ik mijn ogen voorzichtig open doe, zijn de
kleuren weg. Uit alle macht probeer ik ze open te houden. Ze zijn zwaar en moe.
Ze doen pijn, het licht in mijn kamertje doet pijn. Toch is het gordijn dicht.
Elke keer zakken mijn oogleden weer naar beneden. Mijn oogbollen branden. Ik
knipper, ik wil geen kleuren, geen paars en geel. Ik heb dorst. Het glas water staat
zo ver weg. Mijn arm is te moe om het te pakken. Alles is nat, en toch heb ik
dorst. Mijn kussen is nat. Als ik mijn hoofd voorzichtig verleg, voelt het
ijskoud. Ik roep mijn moeder. Hoort ze het wel? Heb ik wel geroepen? Of heb ik
het gedroomd? Ik roep nog eens. Er komt geen geluid uit mijn keel. Mijn keel
doet pijn. Ik kan niet slikken. Mijn keel is helemaal dik.
Waarom
zit mijn moeder zo ver weg? Ik heb haar niet binnen horen komen. Heb ik
geslapen? Mijn bed is gegroeid. Het is heel lang geworden, als een Rijnaak – zo
heten die boten, zei juf, een mooi woord, Rijnaak – zo lang is mijn bed. Ik lig
voor op het schip, mijn moeder heel klein, helemaal aan de andere kant,
achteraan. Waarom zit ze zover? Ze staat op, moet heel ver lopen naar me toe. 'Ik
wilde je niet wakker maken.' Van hoog boven mij legt ze een hand op mijn
voorhoofd. Haar arm lijkt wel een boomtak, zo lang. Haar hand is koel. 'Wat ben
je warm,' zegt ze. 'Je hebt koorts'. Ik heb het koud, lig te rillen, de lakens
nat, mijn haren nat. Ik wil iets zeggen, maar mijn keel knijpt dicht. Ze pakt
iets, een lap, nee, een deken. Het lijkt wel het zeil van een schip. Zo groot.
Ze pakt me op. Koude lucht overal om mij heen. Vlug wikkelt ze me in de deken
en zet me in een gemakkelijke stoel. Alles draait, de hele kamer, het raam, de
deur. De bovenkant is onder en dan weer opzij. Ik klem me vast in de stoel.
Straks val ik in zee. Ik ben zeeziek, misselijk, kreun. Mijn moeder draait zich
om. Ze is net te laat. Ik spuug de vloer onder. Wat gek, ik heb toch niets
gegeten. 'Ach, kindje toch,' zegt ze. Ik zie haar lopen, zwaaiend op de vloer
die nog altijd ronddraait. Ze loopt op het schip. Maar een Rijnaak kan toch
niet op zee varen? Een rivier heeft toch geen golven? Ik doe mijn ogen dicht.
Doe ze weer open als de kleuren weer komen, het paars en het geel. Mijn moeder
dweilt het dek van het schip. Ze haalt natte lakens van mijn bed, schudt enorme
lappen uit, legt die er op. Haar armen spreidt ze als een grote vogel. De
lakens klapperen als vleugels, als wieken, als zeilen in de wind. Ze maakt een
kruik, legt die aan het voeteneinde. Ze doet mijn deken af, mijn natte pyjama
uit en trekt me snel een schone pyjama aan. Die is warm. Ze heeft hem op de
kachel gelegd, dat weet ik zeker. De kachel thuis, niet op dit schip. Maar dit
is mijn bed, nu weet ik het weer. Geen schip, mijn eigen bed. Mijn moeder pakt
me op en legt me tussen de nog ijskoude, stijve lakens Ik ruik hoe schoon ze
zijn. Ze ruiken naar maandag, naar zeepsop en stijfsel. Ze legt de kruik in
mijn rug. Het plekje voor mijn voeten is al warm. Ze laat mij drinken. Mijn
tanden klapperen tegen het glas. Er loopt water langs mijn kin. Ze drukt een
kus op mijn voorhoofd. 'Ga maar lekker slapen. Dan ben je gauw weer beter. Ik
ben vlakbij. Je hoeft niet bang te zijn.'
Ik ben
niet bang. Door mijn wimpers zie ik de flessen op de vensterbank met rode en
bruine drankjes, de bolle lepel ernaast. Het lijken grote edelstenen als het
licht er door schijnt. De rode drank is bitter. Spoken vliegen door het
poppenhuis aan het voeteneinde van mijn bed. Ze dansen van de ene kamer naar de
andere, gaan nooit op de stoeltjes zitten. Ik zie de meubeltjes door ze heen
schijnen. Ik ben een beetje bang van ze. Ik kijk maar niet. Misschien gaan ze
dan wel weg. Of misschien dansen ze het poppenhuis uit, mijn bed op, naar me
toe, om me heen. Het zweet breekt me uit. Ik wil schreeuwen. Dan hoor ik het
gefluit van een merel, heel vrolijk. Het is prachtig. Ik blijf stil liggen,
luister, doe mijn ogen weer helemaal open. De merel vliegt door mijn kamertje.
Ik ben verbaasd, kijk naar de waterverftekening aan de muur, de tekening van
mijn vader. Uit het nest steken kleine snaveltjes omhoog. Het is een gepiep van
jewelste. Moeder merel is verdwenen. Daar komt ze, langs het plafond. Ze gaat
op de ombouw van mijn opklapbed zitten, zet zich dan af en vliegt naar het
nest, een dikke regenworm in haar snavel. Ik wist wel dat ze echt was, maar nu
zie ik het pas. Nu ze denkt dat ik slaap natuurlijk. Of omdat ze niet kon
wachten, want ik lig hier maar, ook overdag, al heel lang denk ik. Precies weet
ik het niet.
'Ach meis.'
De dokter zit op het randje van mijn bed. Het bed is nog altijd raar lang. Mijn
moeder staat in de deuropening. Hij heeft vriendelijke ogen, onze dokter. Hij
knoopt mijn pyjamajasje los, warmt zijn stethoscoop in zijn handen, zet die dan
op mijn ribbenkast. Ik moet zuchten. Zuchten doet pijn. Ik zucht niet diep genoeg.
Mijn moeder knoopt mijn pyjama weer dicht.
Het is
donker. Een hele troep meeuwen vliegt krijsend door mijn kamer. Ze vallen de
merel aan, pikken naar de jongen, naar mijn haar. Ik sla mijn handen om mijn
hoofd, duik weg onder de dekens. Ik gil. Mijn moeder staat naast me. Ze doet
een nachtlampje aan. Geeft me water en een slok van het bittere drankje. Ik
kokhals, mag niet spugen.
Als ik weer
wakker word, is het licht. De merel zit stil op haar plek, in de waterverftekening
aan de muur. Mijn bed is niet lang meer. De spookjes in het poppenhuis zijn
verdwenen. Slapen ze? Mijn moeder legt haar hand op mijn voorhoofd. De dokter
voelt mijn pols. Opgelucht kijken ze elkaar aan. 'Het gaat de goede kant op,'
hoor ik ze zeggen voor ik weer in slaap val. 'We hebben het ergste gehad.'
No comments:
Post a Comment