Monday, May 2, 2016

Koorts

Paars en geel vloeien in elkaar over, als grote vlekken. In het midden lossen ze op, verdwijnen in een punt, als in het putje van het bad. Het is een beetje als bij mijn kartonnen kaleidoscoop, die ik rond moet draaien. Maar mijn kaleidoscoop heeft een heleboel felle kleuren, en dit is alleen paars en geel, geel en paars. Ik wil nooit meer paars en geel. Behalve krokusjes, die mogen paars en geel zijn. Die zijn mooi, veranderen niet van kleur, blijven staan, verdwijnen niet als je ze wilt pakken, er naar kijkt. Als ik mijn ogen voorzichtig open doe, zijn de kleuren weg. Uit alle macht probeer ik ze open te houden. Ze zijn zwaar en moe. Ze doen pijn, het licht in mijn kamertje doet pijn. Toch is het gordijn dicht. Elke keer zakken mijn oogleden weer naar beneden. Mijn oogbollen branden. Ik knipper, ik wil geen kleuren, geen paars en geel. Ik heb dorst. Het glas water staat zo ver weg. Mijn arm is te moe om het te pakken. Alles is nat, en toch heb ik dorst. Mijn kussen is nat. Als ik mijn hoofd voorzichtig verleg, voelt het ijskoud. Ik roep mijn moeder. Hoort ze het wel? Heb ik wel geroepen? Of heb ik het gedroomd? Ik roep nog eens. Er komt geen geluid uit mijn keel. Mijn keel doet pijn. Ik kan niet slikken. Mijn keel is helemaal dik.
Waarom zit mijn moeder zo ver weg? Ik heb haar niet binnen horen komen. Heb ik geslapen? Mijn bed is gegroeid. Het is heel lang geworden, als een Rijnaak – zo heten die boten, zei juf, een mooi woord, Rijnaak – zo lang is mijn bed. Ik lig voor op het schip, mijn moeder heel klein, helemaal aan de andere kant, achteraan. Waarom zit ze zover? Ze staat op, moet heel ver lopen naar me toe. 'Ik wilde je niet wakker maken.' Van hoog boven mij legt ze een hand op mijn voorhoofd. Haar arm lijkt wel een boomtak, zo lang. Haar hand is koel. 'Wat ben je warm,' zegt ze. 'Je hebt koorts'. Ik heb het koud, lig te rillen, de lakens nat, mijn haren nat. Ik wil iets zeggen, maar mijn keel knijpt dicht. Ze pakt iets, een lap, nee, een deken. Het lijkt wel het zeil van een schip. Zo groot. Ze pakt me op. Koude lucht overal om mij heen. Vlug wikkelt ze me in de deken en zet me in een gemakkelijke stoel. Alles draait, de hele kamer, het raam, de deur. De bovenkant is onder en dan weer opzij. Ik klem me vast in de stoel. Straks val ik in zee. Ik ben zeeziek, misselijk, kreun. Mijn moeder draait zich om. Ze is net te laat. Ik spuug de vloer onder. Wat gek, ik heb toch niets gegeten. 'Ach, kindje toch,' zegt ze. Ik zie haar lopen, zwaaiend op de vloer die nog altijd ronddraait. Ze loopt op het schip. Maar een Rijnaak kan toch niet op zee varen? Een rivier heeft toch geen golven? Ik doe mijn ogen dicht. Doe ze weer open als de kleuren weer komen, het paars en het geel. Mijn moeder dweilt het dek van het schip. Ze haalt natte lakens van mijn bed, schudt enorme lappen uit, legt die er op. Haar armen spreidt ze als een grote vogel. De lakens klapperen als vleugels, als wieken, als zeilen in de wind. Ze maakt een kruik, legt die aan het voeteneinde. Ze doet mijn deken af, mijn natte pyjama uit en trekt me snel een schone pyjama aan. Die is warm. Ze heeft hem op de kachel gelegd, dat weet ik zeker. De kachel thuis, niet op dit schip. Maar dit is mijn bed, nu weet ik het weer. Geen schip, mijn eigen bed. Mijn moeder pakt me op en legt me tussen de nog ijskoude, stijve lakens Ik ruik hoe schoon ze zijn. Ze ruiken naar maandag, naar zeepsop en stijfsel. Ze legt de kruik in mijn rug. Het plekje voor mijn voeten is al warm. Ze laat mij drinken. Mijn tanden klapperen tegen het glas. Er loopt water langs mijn kin. Ze drukt een kus op mijn voorhoofd. 'Ga maar lekker slapen. Dan ben je gauw weer beter. Ik ben vlakbij. Je hoeft niet bang te zijn.'
Ik ben niet bang. Door mijn wimpers zie ik de flessen op de vensterbank met rode en bruine drankjes, de bolle lepel ernaast. Het lijken grote edelstenen als het licht er door schijnt. De rode drank is bitter. Spoken vliegen door het poppenhuis aan het voeteneinde van mijn bed. Ze dansen van de ene kamer naar de andere, gaan nooit op de stoeltjes zitten. Ik zie de meubeltjes door ze heen schijnen. Ik ben een beetje bang van ze. Ik kijk maar niet. Misschien gaan ze dan wel weg. Of misschien dansen ze het poppenhuis uit, mijn bed op, naar me toe, om me heen. Het zweet breekt me uit. Ik wil schreeuwen. Dan hoor ik het gefluit van een merel, heel vrolijk. Het is prachtig. Ik blijf stil liggen, luister, doe mijn ogen weer helemaal open. De merel vliegt door mijn kamertje. Ik ben verbaasd, kijk naar de waterverftekening aan de muur, de tekening van mijn vader. Uit het nest steken kleine snaveltjes omhoog. Het is een gepiep van jewelste. Moeder merel is verdwenen. Daar komt ze, langs het plafond. Ze gaat op de ombouw van mijn opklapbed zitten, zet zich dan af en vliegt naar het nest, een dikke regenworm in haar snavel. Ik wist wel dat ze echt was, maar nu zie ik het pas. Nu ze denkt dat ik slaap natuurlijk. Of omdat ze niet kon wachten, want ik lig hier maar, ook overdag, al heel lang denk ik. Precies weet ik het niet.
'Ach meis.' De dokter zit op het randje van mijn bed. Het bed is nog altijd raar lang. Mijn moeder staat in de deuropening. Hij heeft vriendelijke ogen, onze dokter. Hij knoopt mijn pyjamajasje los, warmt zijn stethoscoop in zijn handen, zet die dan op mijn ribbenkast. Ik moet zuchten. Zuchten doet pijn. Ik zucht niet diep genoeg. Mijn moeder knoopt mijn pyjama weer dicht.
Het is donker. Een hele troep meeuwen vliegt krijsend door mijn kamer. Ze vallen de merel aan, pikken naar de jongen, naar mijn haar. Ik sla mijn handen om mijn hoofd, duik weg onder de dekens. Ik gil. Mijn moeder staat naast me. Ze doet een nachtlampje aan. Geeft me water en een slok van het bittere drankje. Ik kokhals, mag niet spugen.

Als ik weer wakker word, is het licht. De merel zit stil op haar plek, in de waterverftekening aan de muur. Mijn bed is niet lang meer. De spookjes in het poppenhuis zijn verdwenen. Slapen ze? Mijn moeder legt haar hand op mijn voorhoofd. De dokter voelt mijn pols. Opgelucht kijken ze elkaar aan. 'Het gaat de goede kant op,' hoor ik ze zeggen voor ik weer in slaap val. 'We hebben het ergste gehad.' 

No comments:

Post a Comment