Monday, March 28, 2016

Goudvis

Vier sterren, dan verwacht je toch iets anders, iets groots, met een chique uitstraling. De smalle witte gevel valt me dan ook niet meteen op, ingeklemd tussen een afbladderend pand en een open garagedeur waar Segways verhuurd worden, een soort elektrische step op dikke banden waarmee je hier de stad kunt verkennen. Een groepje toeristen met fietshelmen en rugzakken verlaat als een zwerm bijen het pand, wat onwennig sturend op dit niet alledaagse vervoermiddel. Daarnaast de ingang van een pand waar je je kunt laten masseren. Er tegenover een zachtgeel gestuukt kerkje, op een plein omzoomd met bomen. In deze oude stad met nauwe straten en stegen is de ruimte een verademing.
De eenvoudige gevel van het hotel is misleidend: erachter gaat een hypermodern interieur schuil. Marmer en staal, grijs en wit voeren de boventoon. State of the art leren fauteuils en state of the art receptionistes, gekapt en gemanicuurd. Het is aangenaam koel binnen. De receptionistes zijn buitengewoon behulpzaam en vriendelijk, mijn kamer is een complete verrassing. Waar kreeg ik ooit een stereo installatie met Bose boxen, een oplader voor mijn iPod, een raam dat open kan nog wel met uitzicht op het plein met de kerk en de bomen. In de trendy badkamer tref ik een keur aan flaconnetjes – flesjes kun je ze niet noemen  - met shampoos, lotions en badschuim in allerlei variëteiten. Ik had niets mee hoeven nemen, maar ben deze luxe niet gewend. Soms tref ik alleen een stukje keiharde zeep aan in een hotelbadkamer waar met de beste wil van de wereld geen schuim mee te maken valt. Als ik de prijslijst op de binnenkant van de kamerdeur zie, schrik ik. Ik heb wel geboft met het speciale aanbod waarvan ik gebruik heb gemaakt. Tevreden laat ik me achterover vallen op het brede bed. Een heel bed voor mij alleen en een keur aan kussens, grijze, zwarte en wit linnen, dik en zacht.
Maar ik ben hier gekomen om de stad te bekijken. Met moeite maak ik mij los uit de omhelzing van het bed, pak mijn handbagage uit, trek gemakkelijke schoenen aan, zoek een plattegrond van de stad en ga op pad. Ik neem geen reisgids mee, wil me laten verrassen door wat ik zie en tegenkom. Misschien een rare gewoonte. Die heb ik mezelf aangeleerd nadat ik merkte dat het lezen van reisgidsen me alleen maar onrustig maakte. Ik wilde alles zien, was bang iets te missen, wist al wat ik zou zien. De verrassing was verdwenen. Nu ben ik ontdekkingsreizigster, iemand die alles voor het eerst ontdekt, zich erover verwondert, het door wil geven, vast wil leggen. Een vorm van zelfbedrog. Maar wat geeft het?
Als ik 's avonds voldaan maar moe terug kom in het hotel, zegt de receptioniste: ‘Ik geloof dat ik vergeten ben u dit te geven,’ en reikt me een A4tje aan. Eenmaal op de kamer lees ik het aandachtig door, met stijgende verbazing.
Mist u uw huisdier? staat er in vet gedrukte letters. Daarna volgt het aanbod van… een goudvis, een heuse goudvis. Als ik wil kan ik een kom met inhoud op mijn kamer krijgen. Er zit een heel verhaal achter. Misschien wel eenzelfde verhaal als dat van een vriendin, denk ik.
Die vriendin bewoont een schitterend huis, een landgoed eigenlijk, in de Cotswolds, grenzend aan een riviertje. Het gedeelte dat door haar tuin loopt, is zelfs haar eigendom. Helaas ligt haar land laag en de rivier heeft regelmatig de neiging buiten haar oevers te treden. Een aantal jaren terug was er een nogal ernstige overstroming en stond haar hele tuin een aantal weken blank. De eenden en zwanen die ze altijd voerde als de vrouwelijke incarnatie van St. Franciscus peddelden tot aan haar achterdeur, bedelend om voer. In haar tuin had ze ook een kleine siervijver, die ze nauwelijks meer terug kon vinden. Toen het water eenmaal zakte en er alleen in de wat diepere bloembedden water stond, zag ze tot haar verbazing een goudvis zwemmen in haar rozenperkje. Ze kon de vis net op tijd redden, voor hij happend naar adem ten onder zou zijn gegaan. Voorzichtig had ze hem in het vijvertje terug gezet. Misschien dat hier net zoiets speelde.
Nieuwsgierig lees ik verder. En ja hoor, na de ernstige overstromingen in deze stad, zo’n 10 jaar geleden, was op de plek van het hotel ook een goudvis aangetroffen, een vis die symbolisch werd voor de overstromingen en die nu in ere wordt gehouden door de tijdelijke bewoners een goudvis aan te bieden. Maar dat was niet alles.
Hebt u heimwee naar uw huisdier? zo begint de volgende alinea. Ik denk meteen aan Raven, mijn labrador. Een schat van een hond. Ik heb haar nog maar pas en vond het best moeilijk haar achter te laten, terwijl ze echt in goede handen is. Wat een verschil met mijn vorige hond, een herder. Die was ook lief, tegen mij tenminste, en behoorlijk waakzaam. Als iemand maar met een vinger naar me wees, was ze meteen alert. Niemand zou er ’s nachts in geslaagd zijn ongemerkt binnen te komen. Hoe anders is Raven. Ze mag dan vervaarlijk lijken met haar postuur en glanzend zwarte vacht, maar het is een allemansvriend die elke inbreker kwispelstaartend tegemoet zou komen. Ha, iemand om mee te spelen, zou ze denken. Blaffen kan ze al helemaal niet. Wel zo rustig in een dichtbevolkte wijk, maar als waakhond heb je er niks aan. En ja, ik mis haar. Maar zou een goudvis daar tegen helpen? Een koudbloedige vis, die niet met haar kop op je voeten komt liggen als je thuis achter je pc zit, niet met een natte neus tegen je been duwt als ze uitgelaten wil worden? Nee, tegen heimwee zou het niet helpen. Toch misschien wel leuk, zo’n vis. Ik zal het de receptie vertellen voor ik ga eten in dat restaurantje om de hoek.
En warempel, als ik geheel verzadigd na een lekker maal mijn kamer binnen ga, staat hij er, de kom met daarin een feloranje gekleurde vis en een gifgroen stukje waterplant. Echt of nep is niet duidelijk. Er ligt een briefje naast waarop staat dat ik de vis niet hoef te verzorgen (roskammen, schubben gladstrijken?) of hoef te voeren, daar zorgt het hotelpersoneel voor. Prima. Ik kijk eens goed naar de vis, mijn oog dichtbij het glas. Zij of hij – schijnt er niet van te schrikken. Ik moet zeggen, het fel oranje doet het goed in deze kamer in zwart-wit en grijs tinten. Na een poosje krijg ik genoeg van het kijken. Ik ga op bed liggen en zoek een klassiek muziekje op mijn iPod. Mozart, een pianoconcert. De versterker staat vlak naast de kom. De vis draait rondjes op de maat van de muziek, lijkt het. Is het verbeelding, of voelt de vis de trillingen? Eens kijken of ik iets anders kan vinden. Rachmaninov, een beetje woester. Ja hoor, de vis zwemt mee. Wat een leuk spelletje. Ik probeer allerlei andere muziek, steeds hardere, steeds vluggere tempi, meer popmuziek. Op de een of andere manier voelt mijn vis het. Ze wordt steeds onrustiger, zwemt al maar sneller. Ergens moet ik rock en hard metal hebben. Uiteraard niet door mij op de iPod gezet. Een grapje van een neef, de jongste generatie die me wil opvoeden. Wat nou klassiek. Dit moet ik ook gaan waarderen. Dit is hun muziek. Na enig speurwerk heb ik de nummers gevonden. Kleine verrassing.  De grapjas heeft ze in een map met mijn favoriete klassieke muziek gezet. Hoopt waarschijnlijk dat ik de shuffle functie zal gebruiken en me een ongeluk zal schrikken. Ik kan het niet laten, maar moet wel mee bewegen, mee dansen met de muziek, steeds woester, steeds luider. De vis beweegt ook mee. Ik raak bijna in trance, let niet meer op de snel bewegende oranje schicht, sluit mijn ogen, dans en dans met mijn hele lichaam, met elke vezel, tot de muziek zwijgt en ik uitgeput op bed neerval. Mijn hart bonst als een razende. Geen conditie. Moet ik wat aan doen. Als ik een beetje tot rust ben gekomen, kijk ik op. Waar is mijn vis, mijn rode pijlsnelle schicht? Gek, straks draaide ze nog rondjes. Ik loop naar de bak en dan zie ik het, ze ligt op de bodem van de kom, op haar zij. Ze zal toch niet…? Ik tik tegen het glas, en nog eens wat harder, steeds ongeduldiger. Steek uiteindelijk mijn vinger in de kom en raak haar voorzichtig aan. Niets, er gebeurt niets. Ze is dood, echt dood. Kunnen vissen ook een hartstilstand krijgen? Moet ik het de receptie melden? Op dit uur, nu? Ik verwijder de muziekbestanden van mijn iPod en ga slapen. Morgen is er weer een dag. Ik hoop op een wonderbaarlijke herrijzenis in de nacht.



De volgende ochtend ligt ze nog steeds stil op de bodem. Maar als ik terug kom na een museumbezoek, zwemt ze weer rond in de kom. Dezelfde? Een andere? Een goudvis is een goudvis. Ik zal het nooit weten.

Friday, March 25, 2016

Geboortegrond

Geboortegrond
Ik houd van rivieren, Hollandse rivieren. Het licht op het water, een zilveren lint, de weerspiegeling van kerktorens en dorpen, de kades van een grotere stad, knotwilgen, kribben die uitsteken ver in het water, de golven die rijnaken lang na het geluidloze passeren nog veroorzaken, de smalle eilandjes als kleine landtongen, de wielen het resultaat van het meanderen van de rivieren, de bruggen, modern en oud, die de oevers verbinden. Meer nog dan de zee houd ik van dit water, zoals Marsman[1] het zo treffend beschreef in lyrische bewoordingen, de traag stromende rivieren, oneindig bijna door het lage land. Ik zou een kind van de zee moeten zijn, als kleinkind van noeste vissers, van grootmoeders in lokale klederdracht en niets anders. Bepaalt je geboortegrond je liefde voor een landschap ook als je dat nooit bewust gezien of beleefd hebt? Een Scheveningse familie, slechts enkele oorlogsjaren geëvacueerd in het Oosten van het land, aan een rivier met prachtig groen achterland. Een landschap van coulissen, kleine bosschages, boerderijen en kronkelende zandpaden. Een land dat zelfs enigszins glooiend is hier en daar. Als enige van het gezin daar geboren, op de grens tussen west en oost Nederland, in een voormalige Hanzestad, een stad met een rijke geschiedenis. Een stad die onder vuur lag met name in de laatste oorlogsjaren. Een oorlog die ook invloed op mijn leven had. Maar ondanks dat heb ik dat landschap lief, een landschap dat geen heimwee heeft achtergelaten bij de rest van het gezin, de oudere kinderen, geboren aan de kust. Zij zijn gebonden aan en verbonden met de zee, het strand, de zilte lucht, de wind die nooit ophoudt te waaien, de zee die altijd ruist, soms zelfs dondert. Kan de plaats van je geboorte zo’n invloed hebben? Ik was pas 1,5 toen we weer naar het westen vertrokken, naar de kust waar het altijd waait. Waar het strand geen beschutting biedt tegen wind en regen, tegen hitte en kou. Waar de zon onbarmhartig kan steken zonder natuurlijke beschutting, de storm je mee kan voeren zonder verweer, geen bomen de wind breken. Van de rivieren gaat rust uit. Hoe vaak heb ik er niet langs gereden en gefietst, bij een kribbe gezeten, later, toen ik werkte, en nog later met mijn vader die lang weduwnaar was en ook hield van het late zonlicht op de rivier, van de grote schepen, het riet langs de oevers, de wolkenluchten, rood en oranje, verkleurend naar lila en paars bij zonsondergang,  de kronkelende dijken, het uitzicht. Bij hem misschien een compensatie voor het gemis van de zee, zijn habitat, dat van zijn ouders, van zijn jeugd en zijn werkzame jaren tot vrijwel zijn pensioen. Hij leerde zwemmen in de buitenhaven, gewoon door van de kade te springen en zich op z’n hondjes drijvende te houden, een kind van de zee. Hij miste het visje aan de haven, de loggers, de geteerde tonnen die allang verdwenen zijn, de geur van visrokerijen bij de visafslag en in de Badhuisstraat. De donkere schuren waar de gerookte scharretjes geregen aan lijnen in de nok hingen, met visvlees dat donker doorrookt was en verrukkelijk smaakte, zonder een greintje vet erin. Pittig, taai, en toch sappig. De rivieren boden hem het weidse zicht dat hij aan het strand kende en dat hij miste in de bossen, al hield hij daar ook van. Van de vele vogels, de reeën, het jonge groen in alle schakeringen in het voorjaar, de koperen kleurenpracht in het najaar, de geur van rottende bladeren. Zijn verlangen naar de zee was niet zo sterk dat hij na zijn pensioen daarheen terug wilde. Het was gemakkelijk genoeg om  er een dag naar toe te gaan, zijn ouders daar te bezoeken zolang die nog leefden, verse vis te kopen aan de haven. Zijn kinderen uit te nodigen om een visje te komen eten, bij een naamgenoot, een eenvoudig restaurant met zeiltjes op tafel waar een gepensioneerde visser in de keuken vis bakte zoals hij van jongs af aan geleerd had. De lekkerste vis die je kunt denken. Erbij sla en frites, en dat was alles. Als enige luxe een glas witte wijn.
   Neemt een baby de geuren op van zijn omgeving, van het land waarin hij geboren is. De geur van de rivier in mijn geval, een zweem van oude beukenbomen, eikels en beukennootjes in het najaar. Wat weet een baby intuïtief, of wat nemen de zintuigen op. Krijg je een blauwdruk mee van de aarde waarin je geworteld denkt te zijn, waar je het levenslicht zag? Ik weet dingen die ik niet kon weten, leed aan angsten die onverklaarbaar leken, aan een onbegrepen oorlogstrauma. Staat een kind misschien dichter bij het dier, dat instinctmatig dingen weet, voelt, kent.
    De oorlog liet sporen na, niet alleen bij mijn ouders en bij de oudere kinderen, maar ook bij mij, een beschermde baby, totaal afhankelijk van mijn ouders. Maar toch blijft de liefde voor die streek waar ik geboren ben.




[1] Marsman (dit is een ander gedicht van hem, dat het landschap mooi beschrijft)
 In de weiden grazen,de vreedzame dieren;
de reigers zeilen over blinkende meren,
de roerdompen staan bij een donkere plas;
en in de uiterwaarden galoppeeren de paarden
met golvende staarten over golvend gras.